| Ontwikkelingsstoornissen |  |
| |
|
In dit topic vind je allerlei informatie terug over de diverse psychische 'stoornissen'. Als je informatie mist, of als je nog meer interessante informatie hebt, stuur dat dan svp in een mail naar beheer@easethepain.nl.
Waarschuwing
Als je je herkent in informatie, die hieronder staat, dan wilt dat nog niet zeggen dat je datgene ook daadwerkelijk hebt. Een psychiater is de enige die een diagnose kan stellen. Als je je ergens in herkent, dan kun je dat natuurlijk wel aangeven bij je hulpverlener, maar je kunt jezelf hierop nooit diagnosticeren.
Daarnaast is het belangrijk om te weten dat veel diagnose's uit de DSM puur een karakterbeschrijving zijn. Ze zijn niet gebaseerd op wetenschappelijke onderbouwing, of zijn gebaseerd op een pseudowetenschap. Als je aan een psychische 'stoornis' lijdt, dan wil dat nog niet zeggen dat je ziek bent. Zoals bijv. bij ADHD hyperactiviteit en concentratieproblemen kenmerken zijn, wil dat nog niet zeggen dat iemand die hyperactief is of concentratieproblemen heeft ziek is.
Hou dus nooit teveel vast aan een diagnose, het draait niet om de diagnose, maar om jouw toekomst. Begin dan ook niet zonder meer met het slikken van psychiatrische medicatie, maar probeer jezelf eerst er bovenop te vechten zonder deze middelen te gebruiken. De manier waarop je omgaat met de kennis van je eigen gedachtenpatronen en karakterkenmerken zijn grotendeels bepalend voor jouw psychische welzijn in de toekomst. Daarnaast heeft medicatie ook de nodige bijwerkingen, zoals verhoogd risico op agressie, destructief gedrag en zelfmoordneigingen. Deze bijwerkingen komen relatief vaak voor, en kunnen desastreuze gevolgen hebben. Dat terwijl deze bijwerkingen veelal niet vermeld worden door medicijnfabrikanten en hulpverleners.
Inhoud
Autisme
Syndroom van Asperger
PDD-NOS
Syndroom van Rett
ADHD/ADD
ODD
CD
Geen-Bodem-Syndroom
Gilles de la Tourette
Dyslexie
Beelddenken |
|
 |
| |
|
Autisme
Mensen met autisme hebben het moeilijk om betekenissen te begrijpen achter de waarneming. Ze kunnen nauwelijks afstand nemen van de letterlijkheid en hebben dus problemen met verbeelding. Als je een autist vraagt 'Wat is er aan de hand?', kijkt hij wellicht verbaasd naar zijn hand. Als je hem liefdevol zoent en vraagt hoe dat voelt, antwoordt hij waarschijnlijk zoals Rain Man in de gelijknamige film. Nat.' Deze letterlijkheid weegt op heel zijn doen en laten: zijn communicatie, zijn sociaal gedrag, zijn begrip, zijn gevoel, zijn spel en zijn vrije tijd, kortom, op al die gebieden die ons leven het meest zinvol maken. Maar ook hulpverleners en ouders hebben daardoor problemen. Ze beseffen onvoldoende hoe ingewikkeld en boeiend het is om 'normaal' te zijn. Ze kunnen zich een wereld zonder abstracties niet voorstellen. Een eenvoudige wereld waar de dingen voor zich spreken, kennen ze niet. Ook dat is een probleem van verbeelding, want er is enorm veel verbeelding nodig om mensen te helpen, die lijden aan een gebrek aan verheelding. Toch kan het, met veel geduld en inlevingsvermogen.
Autisme wordt beschouwd als een ontwikkelingsstoornis met een neurologische oorzaak. De hersenen van autisten functioneren daardoor anders; in het bijzonder de perceptie van de sensorische waarnemingen. Hierdoor bestaan hun waarnemingen uit losse fragmenten die voor de autist vaak niet de verbanden hebben, die voor anderen vanzelfsprekend zijn. Mensen met autisme hebben beperkingen in de sociale interactie, beperkingen in verbale en non-verbale communicatie en beperkingen in het verbeelding- en voorstellingsvermogen. Alle mensen met autisme ervaren op hun eigen manier hun beperkingen en problemen. Soms ervaart alleen de omgeving dat iemand anders is.
Autisme is een verzamelnaam voor stoornissen die vallen onder de psychiatrische stoornissen die worden geclassificeerd volgens de zogenaamde DSM-IV-TR criteria.
Dit systeem wordt wereldwijd gebruikt. Er worden vijf subgroepen van autisme onderscheiden en dat zijn:
(klassiek) autisme
Syndroom van Asperger
PDD-NOS
Syndroom van Rett
Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd
Naar verwachting hebben in Nederland ongeveer 90.000 mensen autisme. Er is nog geen nader onderzoek naar gedaan in ons land. Wij baseren dit getal op recente epidemiologische studies die in het buitenland zijn uitgevoerd. Autisme komt voor bij 0,58% van de bevolking.
DSM-IV criteria
I. Tenminste zes (of meer) items van (A), (B), en (C), met minstens twee van (A), en een van (B) en (C)
A.kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende:
1.opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek(welke sociale wisselwerking regelt)
2.tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau
3.een gebrek in het spontaan delen van plezier,interesses, of prestaties met andere mensen, (bv., door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar anderen mensen)
4.Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid(bijv. doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als "mechanisch hulpstuk" bij spelletjes)
B. Kwalitatieve tekortkomingen in communicatie zoals blijkt uit minstens een van de volgende:
1.vertraging in, of een totaal gebrek aan, de ontwikkeling van de gesproken taal (welke niet gevolgd wordt door een poging dit te compenseren door alternatieve mogelijkheden van communicatie, zoals gebaren of mimiek)
2.bij individuen met goede spreekvaardigheid, opvallende tekortkomingen in het starten of onderhouden van een gesprek met anderen.
3.stereotype of herhaald gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik
4.een gebrek in gevarieerd, spontaan fantasiespel of sociaal imitatiegedrag overeenkomstig het ontwikkelingsniveau
C. opvallend beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende:
1.overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie
2.blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele handelingen of rituelen
3.stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam)
4.hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten
II.vertragingen of abnormaal functioneren in ten minste een van de volgende gebieden, binnen de eerste drie levensjaren:
A. sociale interactie
B. sociaal taalgebruik
C. imitatie- of fantasiespel
III.de stoornis kan niet verklaard worden als Rett's syndroom of Childhood Disintegrative Disorder |
|
 |
| |
|
Syndroom van Asperger
In de eerste plaats kan vastgesteld worden dat mensen met het Asperger Syndroom (verder kortweg Aspergers genoemd) problemen hebben in het sociale verkeer met anderen. Zij hebben vaak veel moeite met het aangaan en onderhouden van contacten (vriendschappen, relaties) en kunnen vaak sociale afstand niet goed inschatten. Aspergers hebben moeite met het begrijpen van zogenaamde sociale regels en non-verbale communicatie en kunnen daarom alleen al door anderen als vreemd, zonderling worden ervaren. Kinderen met Asperger bezigen daarbij vaak ook een "volwassen" taaltje, omdat ze al vroeg leren volwassenen na te praten. Ook vanwege deze sociale onhandigheid kunnen kinderen met Asperger vaak gepest worden door hun leeftijdsgenootjes en tot zondebok worden bestempeld.
Opvallend is ook dat Aspergers vaak op een zeer gedetailleerde, obsessieve wijze zich bezig kunnen houden met eenzijdige interesses, waarover ze uren kunnen vertellen en daarbij over het hoofd zien of anderen daarvoor nog de belangstelling kunnen opbrengen. Ook hierin blijkt een Asperger vaker tegen dan met een ander te spreken. Het obsessief bezig zijn van een Asperger uit zich ook in het hebben van bepaalde handelingen of rituelen, welke aan de Asperger een zekere houvast geven, waar de wereld om zich heen te onzeker en overdonderend is. Zeker als het gaat om de hoeveelheid en intensiteit van prikkels (geluiden, visuele indrukken, aanraking en zelfs geuren) die een Asperger van buitenaf te verwerken krijgt. Iemand met Asperger is dan ook doorgaans niet voldoende bestand tegen veranderingen in zijn omgeving en is bepaald niet flexibel in handelen en denken te noemen. Daardoor hebben mensen met dit Syndroom vaak een verminderde stressbestendigheid, een kleine verandering kan al leiden tot grote paniek of frustratie.
Tevens valt het bij kinderen maar ook bij volwassenen met Asperger op, dat ze vaak een slechte en aparte motoriek hebben. Dit uit zich dan vaak in traag of houterig bewegen, waardoor bijvoorbeeld het beoefenen van diverse sporten weleens een probleem kan zijn. Behalve de matige motoriek kan bij met name teamsporten ook de sociale factor (het samenspelen) een hindernis zijn. Ook de motorische ontwikkeling bij Asperger-kinderen kan moeizaam verlopen, deze kinderen lopen vaak achter als het gaat om leren praten en lopen vergeleken met leeftijdsgenootjes. Verder valt het op dat Aspergers vaak minder expressieve gelaatsuitdrukkingen en een meer monotone stem hebben dan niet-Aspergers.
Aspergers beschikken doorgaans over een normale tot bovengemiddelde intelligentie, waardoor ze enerzijds tot redelijke tot goede prestaties kunnen komen, maar anderzijds ook vaak door de mensen om zich heen worden overschat (omdat ze in eerste opzicht vrij normaal overkomen).
DSM-IV criteria
A. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende:
1) duidelijke stoornissen in het gebruik van veelvoudig nonverbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen en gebaren om de sociale interactie te bepalen.
2) er niet in slagen met leeftijdgenoten tot bij het ontwikkelingsniveau passende relaties te komen.
3) tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien, brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn).
4) afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid.
B. Beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten, zoals blijkt uit ten minste een van de volgende:
1) sterke preoccupatie met een of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in ofwel intensiteit of aandachtspunt.
2) duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen.
3) stereotiepe en zich herhalende motorische manieerismen (bijvoorbeeld fladderen of draaien met de hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam).
4) aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen.
C. De stoornis veroorzaakt in significante mate beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. Er is geen significante algemene achterstand in taalontwikkeling (bijvoorbeeld het gebruik van enkele woorden op de leeftijd van twee jaar, communicatieve zinnen op de leeftijd van drie jaar.
E. Er is geen significante achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te helpen, gedragsmatig aan te passen (anders dan binnen sociale interacties) en nieuwsgierigheid over de omgeving.
F. Er is niet voldaan aan de criteria van een andere specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie. |
|
 |
| |
|
PDD-NOS
PDD-NOS staat voor Pervasive Development Disorder Not Otherwised Specified
Er zijn drie hoofdkenmerken:
1* Een stoornis in de ontwikkeling van wederkerige sociale contacten.
2* Een taalstoornis (en ook wel met gebaren).
3* Stoornissen in het verbeeldend vermogen (fantasie) met als gevolg starre gedragspatronen en beperkte gebieden van interesses.
Kinderen met PDD-NOS snappen niet wat er in de wereld om hen heen gebeurt en wat er in andere mensen omgaat.
Er zijn verschillende vormen van PDD-NOS, met verschillende uitdrukkingsvormen van de drie kenmerken. Soms zijn het kinderen bij wie er weinig in hen omgaat. Zij reageren dan ook haast niet op de omgeving. Daarintegen vangen sommige zoveel prikkels op, dat ze die niet kunnen verwerken in het geheugen. Dan worden ze vaak helemaal meegesleept in hun eigen fantasie. Dat kan hen flink angstig maken.
Ook komt PDD-NOS vaak voor met ADHD.
DSM-IV criteria
Deze categorie moet gebruikt worden als er een ernstige en pervasieve beperking is in de ontwikkeling van de wederkerige sociale interactie of van de verbale en nonverbale communicatieve vaardigheden, of als stereotiep gedrag, interesses en activiteiten aanwezig zijn, terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Zo behoren tot deze categorie ook de atypische autisme beelden die niet voldoen aan de criteria van de autistische stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische symptomatologie of te weinig symptomen of deze allemaal. |
|
 |
| |
|
Syndroom van Rett
Het syndroom van Rett (RS) is een neurologische aandoening die bijna alleen bij meisjes en vrouwen voorkomt, en in allerlei raciale en etnische groepen over de hele wereld. RS is voor het eerst beschreven door Dr. Andreas Rett, maar kreeg pas wereldwijde bekendheid na een paper van Dr. Bengt Hagberg en collega's in 1983.
Het kind met RS ontwikkelt zich in het begin kennelijk normaal of bijna normaal, tot de leeftijd van 6 tot 18 maanden. Dan volgt een periode van tijdelijke stagnatie of regressie, waarbij het kind communicatievaardigheden en doelbewust gebruik van de handen verliest. Kort daarna openbaren zich stereotype handbewegingen, gebaarverstoringen, en een vertraging van de groei van het hoofd. Andere mogelijke problemen zijn o.a. epileptische aanvallen en verstoorde ademhalingspatronen die optreden wanneer het kind wakker is. Apraxie (dispraxie), het onvermogen om het lichaam tot motorische bewegingen aan te sturen, is de fundamenteelste en ernstigste handicap van RS. Dit kan iedere lichaamsbeweging verstoren, inclusief oogbewegingen en spraak, wat het moeilijk maakt voor het meisje met RS om te doen wat ze wil doen. Door de apraxie en het gebrek aan verbale communicatievaardigheden is het moeilijk om de intelligentie behoorlijk te meten. De meeste traditionele testmethoden vergen het gebruik van de handen en/of spraak, wat onmogelijk kan zijn voor het meisje met RS.
RS wordt het vaakst fout gediagnostiseerd als autisme, cerebrale palsie of onomschreven ontwikkelingsachterstand. Hoewel veel gezondheidsprofessionals wellicht niet bekend zijn met RS is het toch een relatief vaak voorkomende oorzaak van neurologische stoornissen in meisjes en vrouwen. De aandoening komt in verscheidene landen bij 1 op de 10.000 tot 1 op de 23.000 levend geboren meisjes voor. De meeste onderzoekers zijn het er nu over eens dat RS een ontwikkelingsstoornis is en niet een voortgaande, degeneratieve ziekte zoals eerst gedacht. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn voor een genetische basis blijft de herkomst en oorzaak van RS vooralsnog onbekend. Bij afwezigheid van ziektes of complicaties strekt de levensverwachting zich tot in de volwassenheid. |
|
 |
| |
|
ADHD/ADD
ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder, oftewel Aandachts-Tekort-Stoornis met Hyperactiviteit. Makkelijker te onthouden is misschien Alle Dagen Heel Druk. Maar: deze benaming klopt niet helemaal omdat niet iedereen met ADHD hyperactief of druk is. In het Engels heeft men het vaak over ADD, dus zonder H, als men ΰlle ADHD bedoelt, dus met en zonder hyperactiviteit.
Kenmerken ADHD/ADD
moeilijk kunnen blijven zitten
moeilijk hun aandacht kunnen blijven richten
snel zijn afgeleid
van de ene naar de andere activiteit hollen
wiebelen,draaien friemelen
niet rustig kunnen spelen
moeilijk op hun beurt kunnen wachten
overdreven veel praten
antwoord geven voordaat de vraag is afgemaakt
anderen in de rede vallen
moeilijk instructies kunnen opvolgen
niet luisteren naar wat anderen zeggen
moeilijk regels kunnen opvolgen
veel kwijtraken of verliezen
zich vaak in gevaarlijke situaties storten
Kinderen met ADHD roepen vaak negatieve reacties op door hun gedrag. Zij hebben daardoor vaak een negatief zelfbeeld. Het zijn over het algemeen geen geliefde vriendjes. Ouders krijgen vaak te horen dat ze hun kind niet goed aanpakken. Zelf voelen ze vaak wel dat hun kind anders is, en zoeken toch ook vaak de oorzaak bij zichzelf. Als dan de diagnose ADHD gesteld wordt is dit meestal toch een opluchting.
Tips voor ouders en leerkrachten van kinderen met ADHD
Regels en instructies moeten kort zijn
Beloningen, straf en feedback die zijn bedoeld om het gedrag te sturen, moeten zo snel en direct mogelijk worden gegeven
Geef regelmatig feedback
ADHD kinderen hebben duidelijker en krachtiger gevolgen nodig
Geef liever positieve gevolgen op gewenst gedrag, dan negatieve gevolgen op ongewenst gedrag
Verander de beloning regelmatig
Zorg ervoor dat u vooruitloopt op veranderende activiteiten
Trek u de problemen van het kind niet persoonlijk aan
Probeer positief te blijven.
Deze tips klinken makkelijk, maar blijkt in praktijk toch heel vaak tegen te vallen.
Komt het veel voor?
Door de grote belangstelling voor AD(H)D wordt de term steeds bekender, met het gevaar dat de term te pas en te onpas wordt gebruikt. Op grond van alleen druk gedrag krijgen kinderen snel het etiket van ADHD opgeplakt. AD(H)D kan echter alleen worden vastgesteld door middel van een zeer nauwkeurig en uitgebreid diagnostisch onderzoek door een gespecialiseerde kinderarts, -psychiater, -psycholoog of -neuroloog. De diagnose wordt bij voorkeur gesteld door een multidisciplinair team. (Een voorbeeld daarvan is het ADHD ScreenTeam in Delft). De diagnose AD(H)D wordt gesteld bij kinderen die een ernstige mate van aandachtstekorten en/of hyperactiviteit en impulsiviteit vertonen, die niet te verklaren valt uit omgevingsinvloeden of andere stoornissen. Deze gedragingen moeten zich in minimaal twee verschillende situaties voordoen. Naar schatting heeft circa twee procent van de kinderen van 5 tot en met 14 jaar zodanig ernstige symptomen van AD(H)D, dat zij in aanmerking komen voor specifieke behandeling. Daarbij wordt AD(H)D ongeveer viermaal meer gediagnosticeerd bij jongens dan bij meisjes (Gezondheidsraad, 2000). (Meisjes met ADHD tonen minder naar buiten gericht storend of agressief gedrag en worden daardoor minder snel opgemerkt.) Bij kinderen jonger dan 4 jaar is het vaak erg lastig om ADHD te diagnosticeren. Op jonge leeftijd is het nog moeilijker te constateren wat normaal gedrag is en wat niet. Wel hebben ouders, leidsters en leerkrachten vaak al vroeg het idee dat er wat aan de hand is. ADHD die al vroeg begint gaat vaker dan anders gepaard met oppositioneel en agressief gedrag.
DSM-IV-TR criteria
Omdat de symptomen met het ouder worden iets kunnen afnemen, wordt vaak gesteld dat een volwassen patiλnt moet voldoen aan 4 of 5 van 9 criteria van een of beide symptoomclusters.
A. Ofwel (1), ofwel (2)
(1) Zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
Aandachtstekort
(a) slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details of maakt achteloos fouten in schoolwerk, werk of bij andere activiteiten
(b) heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden
(c) lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt
(d) volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in schoolwerk, karweitjes af te maken of verplichtingen op het werk na te komen (niet het gevolg van oppositioneel gedrag of van het onvermogen om aanwijzigen te begrijpen)
(e) heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten
(f) vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig zich bezig te houden met taken die een langdurige aandacht (langdurige geestelijke inspanning) vereisen (zoals school- of huiswerk)
(g) raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden, boeken of gereedschap)
(h) wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels
(i) is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden
(2) Zes (of meer) van de volgende symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
Hyperactiviteit
(a) beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn/haar stoel
(b) staat vaak op in de klas of in andere situaties waar verwacht wordt dat men op zijn plaats blijft zitten
(c) rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is (bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt blijven tot subjectieve gevoelens van rusteloosheid)
(d) kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten
(e) is vaak "in de weer" of "draaft maar door"
(f) praat vaak aan een stuk door
Impulsiviteit
(g) gooit het antwoord er vaak al uit voordat de vragen afgemaakt zijn
(h) heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten
(i) verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op (bijvoorbeeld mengt zich zomaar in gesprekken of spelletjes)
B. Enkele symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit of onoplettendheid die beperkingen veroorzaken waren voor het zevende jaar aanwezig.
C. Enkele beperkingen uit de groep symptomen zijn aanwezig op twee of meer terreinen (bijvoorbeeld op school {of werk} en thuis).
D. Er moeten duidelijke aanwijzingen van significante beperkingen zijn in het sociale, school- of beroepsmatig functioneren.
E. De symptomen komen niet uitsluitend voor in het beloop van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie of een andere psychotische stoornis en zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld stemmingsstoornis, angststoornis, dissociatieve stoornis of een persoonlijkheidsstoornis).
Controverse
Hoewel ADHD en in mindere mate ADD een stoornis is die tegenwoordig iedereen wel kent en erkent, heerst er een grote controverse op. Veel mensen beweren dat de stoornis puur een karakterbeschrijving is, of dat bepaalde symptomen ook veroorzaakt kunnen worden door kunstmatige toevoegingen aan het eten. Tevens beweren veel mensen dat medicatie voorgeschreven voor ADHD/ADD in veel gevallen leidt tot een verhoogde kans op suicide, en dat het zelfs enkele schietpartijen op scholen in de VS heeft veroorzaakt. Indien je ADHD hebt, of ADD, dan kan het interessant zijn je hier verder in te verdiepen. |
|
 |
| |
|
ODD
ODD is een stoornis die wordt gekenmerkt door twee verschillende problemen. Dit zijn agressiviteit en de neiging om anderen opzettelijk lastig te vallen en te irriteren. DSM-IV noemt het een patroon van negatief, vijandig en dwars gedrag dat zich langer dan vier maanden voordoet en waarbij vier of meer van de onderstaande symptomen worden waargenomen:
wordt vaak driftig
gaat vaak met volwassenen in discussie
verzoeken of regels van volwassenen worden bewust overtreden of genegeerd
kliert andere mensen
geeft anderen de schuld van zijn of haar fouten of misdragingen
wordt snel boos of raakt snel geοrriteerd door anderen
is vaak boos en lichtgeraakt
is vaak hatelijk en wraakgierig
Wanneer kinderen onder de vier jaar erg sterk op anderen reageren, moeilijk kunnen worden getroost en een hoge motorische activiteit hebben, kunnen dit aanwijzingen zijn voor het ontstaan van ODD. Huwelijksproblemen en inconsistent opvoeden kunnen ook mede van invloed zijn op de stoornis.
Een extra probleem van ODD is dat het zelden als enige stoornis wordt aangetroffen bij kinderen. Vaak wordt ook ADHD of een depressie vastgesteld. Een duidelijk verschil tussen ODD en ADHD is ook lastig vast te stellen. ODD wordt gekenmerkt door opzet en agressiviteit, terwijl ADHD wordt gekenmerkt door impulsiviteit. Dus is ODD lastiger om mee om te gaan en te accepteren. |
|
 |
| |
|
CD
Om van een gedragsstoornis te kunnen spreken, moeten we een aantal negatieve gedragingen, die niet veroorzaakt worden door de omstandigheden en die vaker en sterker voorkomen dan gemiddeld, al langere tijd aanwezig zijn. In de DSM-IV staan richtlijnen voor de classificatie van deze stoornissen. Daarin wordt bij kinderen en adolescenten onder de noemer agressieve gedragsstoornissen onderscheid gemaakt tussen een oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD, Oppositional Defiant Disorder) en een antisociale gedragsstoornis (CD, Conduct Disorder). Gedragsstoornissen gaan vaker dan gemiddeld gepaard met leerproblemen, stemmingsproblemen, hyperactiviteit en verslaving. ODD-kinderen en adolescenten met ODD zijn moeilijk in de opvoeding, ongehoorzaam en in verzet, maar feitelijk gewelddadig gedrag is niet aan de orde.
Bij CD of een antisociale gedragsstoornis heeft de persoon een gebrek aan respect voor de rechten en gevoelens van anderen. Ook blijven schuldgevoel en wroeging uit wanneer hij of zij anderen kwetst. Van een antisociale gedragsstoornis of CD kan worden gesproken als een kind gedurende langere tijd meer dan drie van de volgende eigenschappen heeft:
pest, bedreigt, intimideert
gebruikt wapens en brengt lichamelijk letsel toe
zet aan tot vechten
mishandelt mens en dier
dwingt tot seksueel contact
steelt of liegt om verplichtingen uit de weg te gaan
sticht brand en vernielt met de bedoeling ernstige schade aan te richten
spijbelt en loopt weg van huis
Bij de beoordeling of er sprake is van een gedragsstoornis zal rekening gehouden moeten worden met de leeftijd van het kind. Wanneer kinderen worden geboren, zijn het niet meteen sociaal functionerende wezens. Ze hebben daar wel aanleg voor, maar die moet nog tot ontwikkeling komen. Het vermogen om rekening te houden met anderen, hen met respect te bejegenen en af te kunnen zien van eigen behoeften ten gunste van anderen, ontplooit zich geleidelijk in de omgang met volwassenen. Tijdens de peuter- en kleuterleeftijd is er bij perioden in meer of minder mate sprake van agressief gedrag. Bij een vierjarig kind heeft kwetsend gedrag naar mens en dier een andere, minder ernstige betekenis dan bij een achtjarige. Door de taalontwikkeling krijgt het kind de gelegenheid zijn gevoelens, gedachten en wensen onder woorden te brengen. Dit draagt vervolgens bij tot het afnemen van agressief gedrag. Hoewel dus een zekere mate van opstandig en agressief gedrag op een bepaalde leeftijd normaal genoemd mag worden, kan met inachtneming van de leeftijd van het kind en diens ontwikkelingsprofiel aan de hand van de criteria uit de DSM worden bepaald wanneer de grens van wat gewoon is wordt overschreden.
De gevolgen van een agressieve gedragsstoornissen kunnen zeer ernstig zijn, zowel voor het gezin van het kind als voor het kind zelf. Uiteindelijk kan het leiden tot mishandeling van ouders, van broertjes en zusjes, van dieren en ven leeftijdsgenootjes. De ervaring leert dat op het thema 'mishandeling door kinderen en jongeren binnen het gezin' een groot taboe rust. Het kost ouders kennelijk grote moeite om het probleem in ware omvang te onderkennen en erkennen. Vaak schamen zij zich zo dat ze pas in een vergevorderd stadium hulp gaan zoeken. Dan is er al een neerwaartse spiraal gaande van steeds verder escalerend gedrag. Het gezin kan hierdoor ernstig geisoleerd geraakt zijn. Agressieve gedragsstoornissen worden vaak in verband gebracht met later optredend crimineel en delinquent gedrag; bij een aantal adolescenten gaat het ιιn inderdaad over in het ander. Echter niet elke crimineel heeft in zijn jeugd een gedragsstoornis gehad. De meeste kinderen met ADHD en met een gedragsstoornis blijven op het rechte pad, enkele ontsporingen in de adolescentie daargelaten. Indien er bij een kind sprake is van een combinatie van ADHD en een gedragsstoornis, dan zijn de vooruitzichten somberder. Uit onderzoek blijkt dat vooral ernstig agressief gedrag op de kinderleeftijd (onder de 10 jaar) een voorspellende waarde heeft voor later optredende ernstige met name gewelddadige delinquentie.
De oorzaak: het zit in het kind, of het ligt aan de ouders. Jarenlang heeft de discussie over de oorzaak van ernstige gedragsproblemen gedraaid om deze twee uitersten. Tegenwoordig wordt er uitgegaan van een combinatie van aanleg en omgeving, waarbij de balans tussen risico- en beschermende factoren uiteindelijk bepaalt of het tot een agressieve gedragsontwikkeling komt. Dikwijls worden de volgende oorzaken onderscheiden:
de psychobiologische factoren;
de psychosociale factoren;
de ecologische factoren.
Met psychobiologische factoren bedoelen we de erfelijke/biologische aanleg van een kind die van invloed is op de psychologische ontwikkeling. Het gaat onder meer om de werking van hormonen en het functioneren van het zenuwstelsel. In onderzoek is naar voren gekomen dat er bijvoorbeeld bij de zogeheten sensation seekers sprake is van een genetische variant die een zodanige biologische 'outfit' oplevert dat deze jongeren spanning nodig hebben om zich goed te voelen. Men constateert bij deze groep een langzamere hartslag en een hogere stressdrempel. Het verband tussen een gedragsstoornis van een kind en diens opvoeding in het gezin is uiterst ingewikkeld, en in ieder situatie weer anders. Inmiddels wordt onderkend dat bijvoorbeeld kinderen met een ontwikkelingsstoornis, zoals ADHD of PDD-NOS, door de aard van hun psychiatrisch probleem hun ouders in de opvoeding op talloze manieren onbedoeld op het verkeerde been kunnen zetten, waardoor de opvoeding steeds problematischer verloopt. Dat is een van de redenen die het belang van vroege onderkenning bepalen.
Een ernstig gedragsstoornis is vaak moeilijk te behandelen, onder meer omdat:
het kind veelal weinig probleembesef heeft (als dit ook bij de ouders het geval is, wordt het extra moeilijk)
het kind de schuld van de problemen dikwijls bij anderen legt (hij is niet lastig, maar hij wordt uitgelokt)
er in eerste instantie winst is met het gedrag (de omgeving is bang voor het agressieve gedrag van het kind en geeft toe waarmee het kind in staat is om de omgeving naar zijn hand te zetten)
De behandeling moet op verschillende fronten tegelijkertijd worden ingezet en rekening houden met de beperkingen van zowel de jongere als van het gezin. Daarbij is het terugdringen van de spiraal van opvoedingsmachteloosheid en gedragsontsporing moeilijk te verwezenlijken. Anticiperen in de opvoeding blijkt een belangrijk thema te zijn. Jongeren met ODD en CD hebben dikwijls een tekortschietende emotionele zelfregulatie, zijn snel gefrustreerd en zijn weinig flexibel in het omschakelen naar een andere houding ten opzichte van de situatie. Ouders (en leerkrachten) moeten manieren zien te vinden om in de opvoeding weer een positieve toon te vinden. Dat is geen verwennerij of slapte van ouders, zoals de omgeving nog wel eens wil suggeren, maar een aanpassing aan de noden van het kind. Ouders (en leerkrachten) kunnen zich trainen om met het moeilijke gedrag om te gaan en voor het kind de grenzen te bewaken. Ze kunnen leren vooruit te kijken, probleemsituaties te voorzien en veranderingen aan te brengen. Hulp en ondersteuning door professionals zal dikwijls niet gemist kunnen worden. Tijdelijke opvang door derden, zoals logeermogelijkheden, buitenschoolse opvang e.d. kunnen ouders ontlasten en hen tegelijkertijd de gelegenheid bieden hun taak vol te houden. |
|
 |
| |
|
Geen-Bodem-Syndroom
Het Geen-Bodem-Syndroom is een syndroom dat valt onder de categorie reactieve hechtingsstoornissen. Het fundament dat het kind in zijn eerste levensfase had moeten leggen met een liefhebbende volwassene aan wie hij/zij al dan niet was toevertrouwd, is verstoord. Hierdoor is het kind niet in staat zich te hechten aan andere mensen. Het gevolg hiervan is dat het kind gedragsproblemen vertoont. Dit syndroom komt vele malen vaker voor bij geadopteerde kinderen dan bij kinderen die bij hun biologische ouders opgroeien.
Kenmerken
Elk kind is anders en bepaalde uitingsvormen zijn leeftijd gebonden:
Afwijzend tegenover meest nabije figuren (moeder/verzorger/ouders).
Zeer onregelmatig slapen/eten, agressieve gelaatsuitdrukking, ook bij baby's.
Zoeken op onnatuurlijke manier lichamelijk contact.
Ze hebben een extreem onnatuurlijk claimend gedrag.
Sommigen willen daarin tegen helemaal niet worden aangeraakt, en worden bij knuffel pogingen angstig en/of agressief.
Bij kinderen die όberhaupt niet aangeraakt willen worden is het nog moeilijke om tot lijfelijk tot verzoening te komen.
Sommigen zijn druk - vrolijk hangen de clown uit.
Anderen zijn stil en afwachtend, teruggetrokken op het apathische af.
Nog anderen zijn schreeuwerig ruw zoeken voortdurend ruzie.
Ongecoφrdineerde bewegingen, waarbij van alles omvalt en breekt.
Bij een conflict kun je het kind niet bereiken, niets schijnt indruk te maken, zachtheid, nog harder straffen hebben ook maar het geringste effect.
Het kind toont bijna nooit spijt of berouw.
Het geweten heeft alles te maken met tweezaamheid:
Het kan weinig onderscheid maken tussen hoofd en bijzaken, tussen een beetje stout en heel erg gemeen.
De gewetensfunctie ontbreekt.
Het kind zal nooit naar de volwassene toekomen om zijn overtreding te bekennen, is het meestal zelfs de volgende dag of eerder vergeten.
De boosheid van de volwassenen blijft het kind wel bij (de klappen en de preek) maar niet de reden daarvan.
"Als ik weer lieg zal mama dus weer boos zijn"; aan zo'n gedachte gang komt het kind al helemaal niet toe, het slaat die ervaringen niet op.
Er is een geweldig verschil tussen de opstelling in het gedrag van het kind binnen het gezin en daar buiten:
Ouders willen hun kind naar buiten toe liever niet afvallen of ontmaskeren, maar dreigen zelfs daardoor in een heel ander daglicht te komen in de ogen van de buitenwereld. Bijvoorbeeld: familie, vrienden, buren, leerkrachten, hulpverleners.
Ze zeggen vaak "zo'n leuk kind, wil alles voor je doen". etc.
Zou dat gestoord zijn? Dat bestaat gewoonweg niet. Bij ons is hij/zij altijd lief. Krijgt dat kind thuis wel genoeg liefde, zijn jullie niet te streng, (of) je bent niet streng genoeg?
Het pijnlijkst is als het komt van je naaste familie: Opa's, Oma's, Ooms, Tantes.
Je raakt vaak je familie maar ook je vrienden en je buren kwijt.
Bij de hulpverlener zit het kind er meestal vrolijk en ontspannen bij terwijl de ouders met name de moeder op de rand van een instorting balanceert:
De thuissituatie is vaak al zo dat het gezin ontwricht is.
Bij de moeder halen ze het bloed onder de nagels weg, en als vader thuis komt veranderen ze plotseling in gezellige spontane knuffeldieren.
Ze lijken op een plek even 'vertrouwd' als 'vreemd' te zijn, kennen na jaren nog geen gevoel van heimwee.
Ze kunnen ook meestal niet vertellen hσe lang ze al ergens zijn, voor hen maakt een maand of een half jaar nauwelijks verschil.
Ze begrijpen lange tijd niets van familie relaties, voor hen zijn generatie verschillen al helemaal moeilijk te door gronden.
Ze zijn geniaal in het ontdekken van kwetsbare plekken in hun ouders hun broertjes en zusjes leerkrachten en hulpverleners, maar nog het meest in hun onderlinge relaties.
Wanneer de gelegenheid zich voor doet, zullen zij alles in het werkstellen om de volwassenen tegen elkaar uit te spelen, als ze daar zelf voordeel uit kunnen halen. Dit gedrag gaat zo ver, dat menig gezin totaal ontwricht is geraakt.
Hele families zijn op deze manier in kampen uit ιιn gevallen.
Grootouders, Oom en Tantes nemen het blindelings voor het kleinkind op
Het kind schijnt er niet onder te lijden:
Het omgaan met deze kinderen vormt een grote belasting voor het huwelijk.
Op een onverwachte momenten stort het kaartenhuis van schijnaanpassing plotseling in ιιn en doen zich aanvallen voor van verschrikkelijke agressie en panische angst.
Survivers (overlevings)- gedrag en schijnaanpassing daar besteedt het kind onevenredig veel energie aan, die ten koste gaan van andere dingen.
Door negatieve faalangst begint het vaak al bijvoorbaat niet aan allerlei werkzaamheden, en wendt dan een soort onverschilligheid of schijn domheid voor.
Het vereist bijna boven menselijk geduld en veel aanmoediging om het kind zover te krijgen dat het 'over de drempel stapt'.
Door de zwakke ik functie maar nog veel meer door wat het meemaakt gaat het zich welhaast boven menselijk aanpassen.
Het kind is zo slim geworden in het aanvoelen van wat mensen van hen verwachten dat het daar geniaal op inspeelt.
Van daar ook dat het bij oppervlakkige relaties buitenshuis als mestgevierde gast de show pleegt te stelen.
Als ze een klasgenootje gepest hebben, spreken ze thuis met verontwaardiging en met de grootste compassie over die zielige piet die door anderen zo ontzettend word gepest. (anderen de schuld geven van wat ze zelf doen)
DSM-IV criteria
A. Een in de meeste gevallen duidelijk gestoorde en niet bij de leeftijd passende wijze van aangaan van sociale relaties. De stoornis begint voor het vijfde jaar blijkt uit (1) of (2):
(1) Een voortdurend onvermogen om het initiatief te nemen tot op een bij de ontwikkeling passende wijze te reageren op de meeste sociale interacties, zoals blijkt uit overmatig geremde, te waakzame, of sterk ambivalente en tegenstrijdige reacties. Het kind kan bijvoorbeeld op verzorgers reageren met een mengeling van toenadering, vermijding en verzet tegen troosten, of kan een bevroren waakzaamheid aan de dag leggen.
(2) Diffuus hechtingsgedrag zoals te zien is aan ongedifferentieerde vriendelijkheid gepaard aan een onvermogen om op de juiste wijze selectieve hechting aan te gaan (bijvoorbeeld een overdreven vrijpostigheid tegenover relatieve vreemden of een gebrek aan selectiviteit bij de keuze van hechtingsfiguren).
B. De stoornis mag niet enkel te wijten zijn aan een ontwikkelingsachterstand (zoals bij mental retardatie) en niet een symptoom zijn van een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
C. Uitgesproken pathogene zorg blijkend uit ten minste ιιn van de volgende omstandigheden:
(1) Voortdurende veronachtzaming van de basale behoeften van het kind aan troost of steun, stimulatie en genegenheid.
(2) Voortdurende veronachtzaming van de basale lichamelijke behoeften van het kind.
(3) Herhaalde wisseling van primaire verzorger die de vorming van stabiele gehechtheid in de weg staat (bijvoorbeeld veelvuldige wisselingen in pleegzorg).
Behandeling
Veel van deze kinderen blijken niet te functioneren binnen een gezin en groeien op in een instelling. De behandeling bestaat op jonge leeftijd vooral uit het begleiden van de ouders en hun met deze situatie leren omgaan. Vanaf een jaar of acht word begonnen met therapie voor het kind. Vooral het beheersen van de emoties speelt een belangrijke rol. Kinderen en hun omgeving kunnen met deze stoornis leren omgaan maar hij zal nooit verdwijnen. Regelmatig word bij deze kinderen op latere leeftijd de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis gesteld.
bron: De Knoop, vereneging voor ouders van kinderen met een hechtingsstoornis; het boek "Bodemloos bestaan" door Geertje van Echtmond, ISBN 9026317034 |
|
 |
| |
|
Gilles de la Tourette
Het syndroom van Gilles de la Tourette wordt gekenmerkt door tics. Dit zijn ongecontroleerde spierbewegingen en/of geluiden.
In de volgende gevallen spreekt men van het syndroom van Gilles de la Tourette:
er is sprake van zowel geluids- als bewegingstics
de tics houden langer dan een jaar aan
andere neurologische oorzaken zijn uitgesloten
Symptomen openbaren zich meestal tussen het vierde en elfde levensjaar. Indien er enkel sprake is van geluidstics of bewegingstics, en niet van beiden, dan spreekt men ook wel van een chronische motorische ticstoornis of chronische vocale ticstoornis.
De volgende tics kunnen al of niet in combinatie met elkaar voorkomen.
Er zijn twee soorten tics:
1. Bewegingstics, ook wel motorische tics genoemd:
knipperen met de ogen
een grimas trekken
wegdraaien met de ogen
optrekken van de neus
schudden met het hoofd
schouders optrekken
diverse tics in ledematen
2. Geluidstics, ook wel vocale tics genoemd:
keelschrapen
kuchen
grommen
knorren
sisgeluiden
klakken met de tong
uiten van zinloze kreten
uiten van scheld- en schuttingwoorden
vloeken
Het syndroom van Gilles de la Tourette kan voorkomen in combinatie met andere verschijnselen:
concentratiestoornissen in combinatie met hyperactiviteit (ADHD)
drang- en dwanghandelingen en merkwaardige rituelen (OCS)
ontwikkelingsstoornissen of contact- en relatieproblemen (PDD-nos)
Wat zijn de oorzaken van het syndroom van Gilles de la Tourette?
De oorzaak is nog niet gevonden. Vermoedelijk hangt die samen met het gedrag van de neurotransmitters. Wereldwijd wordt veel onderzoek verricht. De aandoening is soms met gedragstherapie te behandelen.
Waardoor wordt het syndroom van Gilles de la Tourette niet veroorzaakt?
Het is geen psychische aandoening
Het wordt niet veroorzaakt door trauma's in de prille jeugd
Het is ook geen gevolg van opvoedingsfouten
Het heeft niets te maken met de verstandelijke vermogens
Waardoor wordt het syndroom van Gilles de la Tourette waarschijnlijk wel veroorzaakt?
Door een neuropsychiatrische aandoening
Daarbij speelt erfelijkheid waarschijnlijk een grote rol
De precieze oorzaak is niet bekend
DSM-IV criteria
A. Zowel mutipele motorische als een of meer vocale tics zijn op een bepaald moment van de ziekte aanwezig geweest, hoewel niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd. (Een tic is een plotselinge, snelle, herhaalde, niet-ritmische, stereotiepe, motorische beweging of vocale uiting.)
B. De tics komen vele keren per dag voor (meestal in aanvallen), bijna elke dag of met tussenpozen gedurende meer dan ιιn jaar, en in deze periode was er nooit een tic-vrije periode van meer dan drie aaneengesloten maanden.
C. De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of significante beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. Begin voor het achttiende jaar.
E. De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld stimulantia) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld chorea van Huntington of postvirale encefalitis). |
|
 |
| |
|
Dyslexie
Liefst vijf tot tien procent van de bevolking heeft in meer of mindere mate last van dyslexie. Maar wat is nou eigenlijk dyslexie?
Het woord dyslexie is opgebouwd uit de Griekse woorden: dys (slecht) en lexis (taal of woorden) de letterlijke vertaling zou dus zijn slecht in taal. Mensen met dyslexie hebben dus moeite met lezen en spellen. Dyslexie komt voor in verschillende vormen en maten. De ιιn ondervind in het dagelijks leven veel problemen van zijn dyslexie, en de ander heeft haast geen last van zijn dyslexie.
Sommige mensen hebben al heel jong last van hun dyslexie, bij andere wordt dyslexie pas vast gesteld op de basisschool of op de middelbare school en bij sommige wordt het zelfs nooit ontdekt. Dyslexie is een verboren handicap dus aan de buitenkant is er niks te zien. Er zijn heel veel verschillende omschrijvingen en opvattingen over dyslexie. De Commissie Dyslexie van de Gezondheidsraad in Nederland beschrijft dyslexie als volgt: Er is sprake van dyslexie wanneer de automatisering van woordidentificatie (lezen) en of schriftbeeldvorming (spellen) zich niet, dan wel zeer onvolledig of zeer moeizaam ontwikkelt. De beschrijving van de commissie dyslexie van de gezondheidsraad leidt tot de volgende kenmerken van dyslexie:
ernstige lees- en spellingsachterstand de prestaties vallen ruim onder de norm;
extra hulp van een leerkracht heeft weinig resultaat;
het lezen gaat zeer traag en/of onnauwkeurig en snel. De directe woordherkenning en het spellen zijn onvoldoende geautomatiseerd.
Schrijfproblemen
Mensen met dyslexie leren vaak moeizaam foutloos te schrijven. Er worden bijvoorbeeld letters omgedraaid zoals de b en de d. Letters of woorddelen worden vergeten of juist te veel toegevoegd. Soms worden bepaalde letters niet herkend zoals de b p en d. Vaak hebben mensen met dyslexie een rommelig handschrift. Sommige dyslectici hebben moeite met de zinsopbouw en weer andere weten niet precies waar ze punten of kommas moeten plaatsen. Of ze zetten de hoofdletters op de verkeerde plek.
Leesproblemen
Iemand met dyslexie heeft door een verkeerde leestechniek vaak moeite met het begrijpen van een geschreven of gedrukte tekst. Dit kan komen omdat het lezen erg langzaam gaat. De woorden worden letter voor letter gespeld. Door dit langzame tempo worden klanken niet verbonden tot een zinvole betekenis. Aan het eind van een zin is men vergeten wat er aan het begin ook alweer stond. Het einde van de regel wordt vaak gezien als het einde van een zin. Deze lezers worden spellers genoemd.
Anderen lezen juist te snel en gaan daarbij woorden raden. Ze lezen de letters wel, maar kunnen niet op het woord komen en zeggen dan een ander woord. (poes wordt dan bijvoorbeeld kat). Soms raden ze de woorden verkeerd of er worden woorden overgeslagen en dan wordt de tekst onbegrijpelijk. Deze lezers worden raders genoemd.
Doordat het herkennen van de woorden zoveel energie kost wordt de tekst moeilijk onthouden of verwerkt. Het is een beetje te vergelijken met het leren autorijden. In het begin ben je alleen maar bezig met de techniek. Je moet vreselijk nadenken bij het schakelen, de koppeling laten opkomen en dergelijke. Na verloop van tijd worden deze handelingen geautomatiseerd. Je aandacht kan dan gericht worden op de omgeving. Je kunt nu volop letten op het verkeer en tegelijkertijd een gesprek voeren.
Iemand met dyslexie heeft het lezen niet kunnen automatiseren, zoals kinderen dat normaal gesproken doen op een leeftijd van zeven, acht jaar. De techniek van het lezen blijft zoveel moeite kosten dat dit ten koste gaat van het begrijpen van de tekst.
Automatiseringsproblemen
Naast de problemen met lezen en schrijven kan bij dyslexie ook sprake zijn van andere problemen. Het onthouden van welke boodschappen er gedaan moeten worden, kan een probleem zijn. Ze hebben soms de grootste moeite om namen of telefoonnummers te onthouden.
Het automatiseren van sommige handelingen kan moeilijk zijn. Iemand met dyslexie moet dan blijven nadenken hoe ze iets moeten doen. Twee dingen tegelijk doen is voor iemand met dyslexie heel moeilijk, bijvoorbeeld het tegelijk moeten luisteren en schrijven. Sommige mensen met dyslexie kunnen hun gedachten moeilijk onder woorden brengen.
Dit kan problemen opleveren in relaties met anderen. Soms is de motoriek niet goed. Sommige mensen met dyslexie zijn uitgesproken onhandig in hun bewegingen. Met name tekortkomingen in de fijne motoriek leveren extra problemen op met schrijven.
Emotionele problemen
Sommige mensen met dyslexie hebben naast hun lees of schrijfproblemen ook last van emotionele problemen ten gevolg van dyslexie. Hier wordt niet zoveel over gepraat noch geschreven dus daarom vind ik het belangrijk om hier ook aandacht aan te geven.
Veel dyslectici voelen zich alleen staan, dit doordat ze niet goed worden geholpen of de problemen worden niet erkend.
Veel dyslectici voelen zich niet begrepen doordat er niet goed naar hen geluisterd wordt of er is sprake van ondeskundigheid van de docent of begeleiding.
Sommige dyslectici hebben weinig sociale contacten omdat ze veel aandacht moeten richten op hun studie of het verbeteren van hun prestaties.
Sommige dyslectici hebben last van frustratie omdat de dingen die ze doen niet lukken terwijl ze er keihard voor werken.
Als dyslexie nog niet herkend is bij iemand is er vaak sprake van machteloosheid omdat men niet weet wat er met hen aan de hand is of ze weten niet goed hoe ze met de problemen om moeten gaan.
Soms zijn de problemen zo groot dat motivatie en zelfvertrouwen plaats maken voor demotivatie en faalangst.
Sommige dyslectici willen alleen maar taken doen die ze goed aan kunnen als iets te moeilijk is. Worden ze weer geconfronteerd met de dingen die ze niet kunnen en dat is heel frustrerend.
Sommige dyslectici schamem, ze voelen zich minderwaardig. Ze voldoen niet aan het beeld wat ze van zich zelf hebben.
Sommige dyslectici voelen zich anders dan anderen en kunnen hierdoor in een isolement komen.
Dyslectici hebben vaak toppen en dalen in hun prestaties zitten. Hier kunnen ze niets aan doen. Dit heeft niet te maken met niet uitgeslapen zijn, of wel of niet geleerd hebben. Er spelen dan emoties of nervositeit factoren mee, die kun je gewoon niet uitschakelen.
Angsten spelen vaak een grote rol bij het functioneren van een dyslecticus.
Flexibel zijn is voor iemand met dyslexie vaak moeilijk, omdat ze zich hebben ingeleefd in wat ze krijgen of tegemoet gaan. Dit doen ze om zichzelf te beschermen.
Bij veel dyslectici blijven de capaciteiten vaak verboren. Via grote omwegen komen ze toch op de plek waar ze moeten zitten, soms komen ze er niet en dan raken ze gefrustreerd. Moeilijkheden strekken zich uit tot ver buiten de grenzen van het oorspronkelijke probleem. Dyslexie is weliswaar niet zichtbaar maar misschien juist daardoor een zeer omvattende handicap.
Voor de meeste dyslectici is dyslexie immers een handicap, die ingrijpende gevolgen kan hebben voor het maatschappelijk functioneren. Soms wordt het leven er volledig door bepaald. Een deel van de onaangename consequenties van dyslexie wordt veroorzaakt door het onbegrip waar dyslectici tegen aan lopen. Goede opvang is van enorm belang.
Wie kunnen er dyslectisch zijn?
Volgens het rapport van de commissie dyslexie van de gezondheidsraad zijn er geen uitsluitcriteria. Zo kunnen ook hoogbegaafde leerlingen, zwakbegaafde leerlingen of leerlingen met zintuiglijke beperking dyslectisch zijn. Maar de lees en schrijfproblemen moeten dan wel ernstiger zijn dan je in die conditie zou verwachten om van dyslexie te mogen spreken. Men noemt het samengaan van dyslexie en een andere stoornis (bijvoorbeeld ADHD) ook wel comorbiditeit en dan vraagt dat om extra aanpassing in de behandeling. Het handelingsgerichte deel van de diagnose moet dan daarop afgestemd worden. Als iemand een IQ heeft van minder dan 70 spreekt men niet meer van een leerstoornis maar van een verstandelijke handicap.
Wat gaat er mis in de hersenen als je dyslectisch bent?
Er zijn heel wat onderzoeken gedaan om te kijken wat de oorzaak is van dyslexie. Wetenschappers zijn er nog steeds niet precies achter wat er werkelijk aan de hand is. Maar verschillende onderzoeken hebben het volgende aangetoond: Als je dyslectisch bent gaat er iets mis in de communicatie tussen twee hersengebieden. Deze hersengebieden noemen we Broca en Wernicke. In het gebied van Broca vindt het opbreken van woorden in taalklanken plaats, het gebied van Wernicke is betrokken bij de herkenning van woorden. Deze twee hersengebieden functioneren op zich normaal bij mensen met dyslexie. Het probleem zit in de samenspraak tussen deze twee gebieden, die is verstoord. Dit verklaart waarom de omzetting van gesproken tekst, via taalklanken naar woordbetekenissen, niet voldoende geautomatiseerd is bij mensen met dyslexie.
Uit een ander onderzoek is gebleken dat mensen met dyslexie problemen hebben met de verwerking van visuele informatie. Er zijn afwijkingen gevonden in de hersengebieden die hierbij betrokken zijn. Bepaalde cellen zijn kleiner dan normaal, deze cellen zijn gevoelig voor contrast, helderheid en bewegingen. Dat zou kunnen verklaren waarom sommige dyslectici moeite hebben met het herkennen van woord patronen en problemen hebben met het sturen van de oogbewegingen tijdens het lezen. Ook de kleine hersenen blijken een rol te spelen bij dyslexie. De kleine hersenen zorgen voor een goede motoriek en coφrdinatie. Het is bekend dat sommige dyslectici problemen hebben met fijn motoriek (bijvoorbeeld schrijven).
In het Verenigd Koninkrijk (Engeland) is er onderzoek gedaan naar de motoriek van kinderen met dyslexie. Als kinderen twee opdrachten te gelijk moesten doen; bijvoorbeeld over een evenwichtsbalk lopen en tegelijkertijd terug telden vanaf honderd - een taak die afleidt van de eerste taak, dan deden ze dat minder goed dan kinderen die geen dyslexie hadden.
Dit zijn slechts enkele grepen uit de resultaten van een aantal wetenschappelijke onderzoeken naar dyslexie. Welke samenhang er is tussen de drie domeinen is nog niet bekend.
Heb ik nu wel of geen dyslexie?
Het kan zijn dat je als lezer van deze informatie veel symptomen herkend maar dat wil nog niets zeggen over of er sprake is van dyslexie. Aan de hand van deze symptomen kun je geen conclusies trekken. Een uitgebreid dyslexieonderzoek moet bevestigen of er werkelijk sprake is van dyslexie.
De meeste dyslectici zullen ongeveer 10 van de volgende eigenschappen of gedragingen vertonen. Deze kenmerken kunnen van dag tot dag of zelf van minuut tot minuut verschillen. Het meeste kenmerkende van dyslexie is deze onregelmatigheid. De symptomen zijn samen gesteld door R.D Davis. In het boek "De gave van dyslexie" kun je er meer over lezen.
Algemeen
Lijkt schrander, zeer intelligent en helder, maar is niet in staat om op basisniveau te lezen, te schrijven of te spellen;
Wordt bestempeld als lui, dom, onverschillig, onvolwassen of als iemand die niet zijn best doet of gedragsproblemen heeft;
Is niet ver genoeg achter of slecht genoeg voor gerichte hulp.
Hoog IQ, maar de schooltests zijn mager; komt mondeling beter uit de verf dan schriftelijk;
Voelt zich dom; heeft weinig zelfrespect; voelt zich niet begrepen; verbergt of camoufleert zwakke kanten met ingenieuze compenserende strategieλn; snel gefrustreerd en emotioneel over school, lezen en tests;
Aanleg voor kunst, drama, muziek, sport, werkbouwkunde, verhalen vertellen, zaken doen, ontwerpen, bouw of techniek;
Lijkt vaak weg te dromen; verdwaalt gemakkelijk en verliest de tijd uit het oog;
Heeft moeite om aandacht te richten; hyperactief of een dagdromer;
Leert het beste door concrete ervaringen, demonstraties, uitproberen en observatie en visuele hulpmiddelen.
Zien, lezen en spellen
Klaagt over duizeligheid, hoofdpijn of maagpijn tijdens het lezen;
Raakt verward door letters, getallen, woorden, volgorde of verbale uitleg;
Lezen en schrijven wordt gekenmerkt door herhalingen, toevoegingen, verplaatsen, weglatingen, vervangen en omkeringen van letters, getallen of woorden;
Klaagt over het gevoel van niet-bestaande bewegingen te zien tijdens het lezen of (over) schrijven;
Lijkt problemen te hebben met het gezichtvermogen, maar onderzoek brengt geen afwijkingen aan het licht;
Neemt tijdens het lezen de gelezen tekst niet goed in zich op;
Leest en herleest zonder dat de tekst goed begrepen wordt;
Spelt fonetisch;
Spelt niet consequent;
Leest monotoon;
Leest spellend;
Leest radend waardoor soms het verkeerde woord wordt gekozen;
Leest herhalend;
Leest haperend;
Legt bij het lezen de klemtoon verkeerd;
Lezen wordt als vermoeiend ervaren.
Horen en praten
Is laat begonnen met praten;
Hoort geluiden harder dan ze zijn; hoort dingen die niet gezegd zijn, dingen die niet door anderen worden gehoord; wordt gemakkelijk afgeleid door geluiden;
Heeft moeite met gedachten in woorden om te zetten; spreekt stokkend; maakt zinnen niet af; stottert onder spanning; spreekt lange woorden verkeerd uit of verplaats zinsdelen, woorden en lettergrepen tijdens het spreken;
Vind het moeilijk om de woorden op de juiste manier uit te spreken;
Spreekt niet op eigen leeftijdsniveau.
Schrijven en motorische vaardigheden
Heeft moeite met schrijven en overschrijven; heeft een ongebruikelijke pengreep; handschrift wisselt of is onleesbaar;
Maakt veel fouten bij het overschrijven;
Schrijft zeer traag;
Kan zijn ideeλn moeilijk op papier krijgen;
Veel dyslectici schrijven wat ze horen, maar dan ook letterlijk. Woorden zijn dan een abracadabra voor anderen en vaak voor de dyslecticus zelf ook;
Vaak zijn de gedachten van een dyslecticus al verder dan dat er op papier staat. Hierdoor ontbreken er soms stukken in een opstel of brief. De ontbrekende delen worden niet gesignaleerd door de dyslecticus want, ze staan in gedachten goed opgesteld;
Onhandig, ongecoφrdineerd, slecht in bal- en teamsporten; heeft moeite met subtiele en of algehele lichamelijke motoriek; snel bewegingsziek;
Verwart vaak links/rechts en boven/onder;
Heeft moeite met het volgen van een richting.
Wiskunde en tijdgevoel
Kan niet goed klok kijken; heeft problemen met tijdsindeling, met dingen te leren of te doen die een bepaalde volgorde vereisen en met op tijd zijn.;
Telt op de vingers of gebruikt ander trucjes om berekeningen uit te voeren; kent de antwoorden maar kan die niet goed op papier zetten.
Kan tellen maar niet goed in objecten tellen en met geld rekenen;
Kan rekenen maar heeft problemen met het begrijpen van sommen in verhaalvorm;
Draait soms getallen om;
Heeft moeite met het onthouden van rekenregels waarbij men zich niets kan voorstellen;
Heeft moeite met het overschrijven van rekensommen;
Door het automatiseringsprobleem heeft een dyslecticus moeite met het uit het hoofd leren van de tafels.
Geheugen en kennis
Heeft een uitstekend lang termijn geheugen als het gaat om ervaringen, locaties en gezichten;
Kan volgorde niet onthouden en ook geen niet ervaren feiten en informatie;
Denkt voornamelijk in beelden en gevoel, niet met geluiden of woorden (beperkt innerlijk dialoog);
Ondervind moeilijkheden om kennis te automatiseren;
Heeft moeite om rijmpjes of liedjes uit het hoofd te leren.
Gedrag, gezondheid, ontwikkeling en persoonlijkheid
Buitengewoon wanordelijk of dwangmatig ordelijk;
Kan de clown van de groep zijn, een lastig geval of een zeer stil iemand;
Is met betrekking tot bepaalde vaardigheden (praten, kruipen, lopen, veters binden zeer vroeg of zeer laat;
Vatbaar voor oorinfecties; gevoelig voor bepaalde soorten voeding en (chemische) toevoegingen;
Slaapt heel vast of heel licht; blijft lang bedplassen;
Heeft een ongebruikelijke lage of hoge pijngrens;
Sterk gevoel voor rechtvaardigheid; emotioneel gevoelig; streeft naar perfectie;
De symptomen en fouten nemen sterk toe in een toestand van verwarring, onder tijdsdruk, onder emotionele spanningen of bij een slechte gezondheid. |
|
 |
| |
|
Beelddenken
Beelddenken wordt vaak geassocieerd met dyslexie. Maar beelddenken is gewoon een bepaalde manier van denken waarbij men niet in woorden denkt maar in beelden en plaatjes. Een beelddenker denkt ongeveer 32 beelden per seconde. Bij alles wat een beelddenker denkt worden steeds beelden gemaakt. Beelden moeten dus constant worden getransformeerd naar taal.
Nu is het zo dat wij allemaal in meer of mindere mate in beelden denken. Echter bij een klein aantal mensen is sprake van consequent beelddenken. Deze manier van denken heeft zowel voor- als nadelen. Een voordeel is dat beelddenkers complexe situaties in een oogopslag overzien. Het is een hele vlugge manier van denken. Een nadeel is dat ze, datgene wat ze overzien, niet altijd even vlug en makkelijk in taal of in getallen kunnen omzetten. Daardoor zijn ze soms moeilijk te volgen voor anderen.
Je kunt je waarschijnlijk wel voorstellen dat beelddenken in onze maatschappij, waarin taal een erg belangrijke rol speelt, tot problemen kan leiden. Ook in het onderwijs kunnen zich moeilijkheden voordoen, vooral ook op het gebied van lezen en schrijven, maar ook op het gebied van rekenen. Deze moeilijkheden worden veroorzaakt door een discrepantie tussen de manier waarop in ons onderwijssysteem de leerstof wordt aangeboden en de manier waarop beelddenkers met deze leerstof omgaan. We spreken dan ook van 'systeemgerelateerde onderwijsleerproblemen'.
In Nederland wordt nog volop onderzoek gedaan naar beelddenken maar het wordt nog niet als iets wetenschappelijk aanvaard en dus ook niet als handicap. Mensen die in beelden denken hebben dus ook geen recht op extra voorzieningen in het onderwijs. |
|
 |
|