| Angststoornissen |  |
| |
|
In dit topic vind je allerlei informatie terug over de diverse psychische 'stoornissen'. Als je informatie mist, of als je nog meer interessante informatie hebt, stuur dat dan svp in een mail naar beheer@easethepain.nl.
Waarschuwing
Als je je herkent in informatie, die hieronder staat, dan wilt dat nog niet zeggen dat je datgene ook daadwerkelijk hebt. Een psychiater is de enige die een diagnose kan stellen. Als je je ergens in herkent, dan kun je dat natuurlijk wel aangeven bij je hulpverlener, maar je kunt jezelf hierop nooit diagnosticeren.
Daarnaast is het belangrijk om te weten dat veel diagnose's uit de DSM puur een karakterbeschrijving zijn. Ze zijn niet gebaseerd op wetenschappelijke onderbouwing, of zijn gebaseerd op een pseudowetenschap. Als je aan een psychische 'stoornis' lijdt, dan wil dat nog niet zeggen dat je ziek bent. Zoals bijv. bij ADHD hyperactiviteit en concentratieproblemen kenmerken zijn, wil dat nog niet zeggen dat iemand die hyperactief is of concentratieproblemen heeft ziek is.
Hou dus nooit teveel vast aan een diagnose, het draait niet om de diagnose, maar om jouw toekomst. Begin dan ook niet zonder meer met het slikken van psychiatrische medicatie, maar probeer jezelf eerst er bovenop te vechten zonder deze middelen te gebruiken. De manier waarop je omgaat met de kennis van je eigen gedachtenpatronen en karakterkenmerken zijn grotendeels bepalend voor jouw psychische welzijn in de toekomst. Daarnaast heeft medicatie ook de nodige bijwerkingen, zoals verhoogd risico op agressie, destructief gedrag en zelfmoordneigingen. Deze bijwerkingen komen relatief vaak voor, en kunnen desastreuze gevolgen hebben. Dat terwijl deze bijwerkingen veelal niet vermeld worden door medicijnfabrikanten en hulpverleners.
Inhoud
• Gegeneraliseerde Angststoornis
• Sociale Angststoornis (Sociale Fobie)
• Paniekaanval
• Agorafobie (Pleinvrees)
• Faalangst
• Specifieke Fobie
• Emetofobie
• Hyperventilatie |
|
 |
| |
|
Gegeneraliseerde Angststoornis
Angst is een normale reactie is op een dreigend gevaar. We kunnen bang zijn voor wezenlijk (van buiten) gevaar of voor vermeend (van binnen) gevaar. Wezenlijk gevaar is bijvoorbeeld als je aangevallen wordt door een hongerige leeuw, vermeend gevaar is bijvoorbeeld de angst om te falen. Angst heeft een, net als pijn, een belangrijke functie. Pijn is een signaal van het lichaam dat aangeeft dat we rust moeten nemen zodat we kunnen herstellen. Angst is een signaal dat we juist in beweging moeten komen om het gevaar te bestrijden (vechten) of juist ontlopen (vluchten). Hiertoe gaat het hart gaat bijvoorbeeld sneller kloppen (hartkloppingen), de ademhaling gaat sneller ("hyperventilatie") en veel bloed gaat naar spieren die gebruikt worden om te kunnen rennen (warm worden). Bezorgdheid is ook een normaal verschijnsel, iedereen is immers wel eens bezorgd als er daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld een dreigend ontslag bij een reorganisatie. Wanneer er echter sprake van is langere tijd een buitensporige angst en bezorgdheid spreken we van een gegeneraliseerde angststoornis (overmatige bezorgdheid).
Voorkomen
Ongeveer 350.000 Nederlanders hebben een gegeneraliseerde angststoornis. Het begint meestal op een leeftijd tussen de twintig en veertig jaar. In een groot Nederlands onderzoek onder volwassenen van 18-64 jaar bleek de lifetime-prevalentie (proportie van mensen in een populatie die ooit een gegeneraliseerde angststoornis hebben gehad) 2,3% (bij vrouwen 2,9%, bij mannen 1,6%).
Kenmerken
De gegeneraliseerde angststoornis wordt gekenmerkt door een diffuse (vage), niet reële en onredelijke angst in combinatie met een bezorgdheid of ongerustheid zonder duidelijke aanleiding. Men voelt zich bedreigd, ongemakkelijk, onrustig en heeft constant angstige voorgevoelens over dreigend onheil. Men maakt zich in feite dus constant wel ergens druk over. Naast overmatige angst en bezorgdheid heeft men in wisselende mate last van klachten zoals: rusteloosheid of geïrriteerd zijn; snel vermoeid zijn; moeite met concentreren; prikkelbaarheid; verhoogde spierspanning en slaapproblemen.
DSM-IV criteria
A. Buitensporige angst en bezorgdheid (bange voorgevoelens), gedurende zes maanden vaker wel dan niet voorkomend, over een aantal gebeurtenissen of activiteiten (zoals werk of schoolprestaties)
B. Betrokkene vindt het moeilijk de bezorgdheid in de hand te houden
C. De angst en bezorgdheid gaan samen met drie (of meer) van de volgende zes symptomen (waarvan ten minste enkele symptomen inde laatste zes maanden vaker wel dan niet aanwezig)
(1) rusteloosheid, opgewonden of geïrriteerd zijn
(2) snel vermoeid zijn
(3) zich moeilijk kunnen concentreren of zich niets herinneren
(4) prikkelbaarheid
(5) spierspanning
(6) slaapstoornis (moeilijkheden in slaap vallen of door te slapen, of rusteloze, niet verkwikkende slaap)
D. Het onderwerp van de angst en bezorgdheid is niet beperkt tot de kenmerken van een andere psychiatrische stoornis, bijvoorbeeld de angst of bezorgdheid gaat niet over het hebben van een paniekaanval (zoals bij een paniekstoornis), het in gezelschap voor schut staan (zoals bij een sociale fobie), het besmet worden (zoals bij een obsessieve-compulsieve stoornis), het van huis of naaste familie weg zijn (zoals bij de separatie-angststoornis), het in gewicht toenemen (zoals bij anorexia nervosa), het hebben van veel verschillende lichamelijke klachten (zoals bij een somatisatiestoornis) of een ernstige ziekte hebben (zoals bij hypochondrie) en de angst en bezorgdheid komt niet uitsluitend voor tijdens een posttraumatische stress-stoornis.
E. De angst, bezorgdheid of lichamelijke klachten veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere terreinen.
F. De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hyperthyreoïdie) en komt niet uitsluitend voor tijdens een stemmingsstoornis, psychotische stoornis of een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
Oorzaken
Een afdoende verklaring voor het ontstaan bestaat niet, er bestaan wel allerlei theorieën. Hoogstwaarschijnlijk is er sprake van een samenspel van diverse factoren, zoals een bepaalde biologische gevoeligheid, bepaalde karaktereigenschappen, psychosociale factoren, vervelende gebeurtenissen in iemands leven en tenslotte ervaringen in de vroege jeugd.
Piekertest
1. Voelt u zich buitensporig angstig of bezorgd over wat er om u heen gebeurt en over de dingen waar u mee bezig bent?
Ja / nee
2. Is het moeilijk voor u om die bezorgdheid in de hand te houden?
Ja / nee
3. - Bent u rusteloos?
- Bent u vermoeid?
- Hebt u concentratieklachten?
- Bent u prikkelbaar?
- Hebt u last van gespannen spieren?
- Slaapt u slecht?
Hebt u drie of meer van de bovenstaande vragen (van vraag 3) met ja beantwoord?
Ja / nee
4. Lijdt u onder uw bezorgdheid of hindert het u in uw privé-leven of bij uw werk?
Ja / nee
Bij vier keer ja kan u last hebben van een gegeneraliseerde angststoornis (overmatige bezorgdheid). |
|
 |
| |
|
Sociale Angststoornis (Sociale Fobie)
De meesten van ons weten wel wat het is om in verlegenheid te worden gebracht. Een normale reactie is vervolgens een gevoel van schaamte. Eventueel blozen we daarbij. Ook zijn er mensen die een verlegen karakter hebben. Ze voelen zich wat ongemakkelijk in gezelschap en zijn nogal terughoudend in het aangaan van contacten. Ook dat hoeft geen probleem te zijn.
Het komt echter ook voor dat iemand zo extreem angstig is voor andere mensen dat hij zoveel mogelijk sociale contacten uit de weg gaat. Vooral de vrees om door anderen kritisch beoordeeld te worden en eventueel te worden afgewezen of uitgelachen staat centraal. Het voeren van een telefoongesprek, een gesprekje met de buurvrouw, eten in het openbaar zijn typische voorbeelden van situaties waar iemand met een sociale fobie erg angstig voor is. Zo angstig dat hij, als het even kan, dergelijk situaties vermijdt. Het komt ook voor dat iemand wel goed een 1-op-1-gesprek kan aangaan, maar doodsbenauwd is voor groepen mensen. Uitnodigingen voor een feestje worden afgeslagen (desnoods met een smoes) en spreken in het openbaar is een onmogelijke opgave. Als iemand met een sociale fobie dan toch in een dergelijke situatie verzeild raakt -wat in het dagelijks leven natuurlijk bijna onontkoombaar is- zal hij last krijgen van allerlei lichamelijke verschijnselen als trillen, hartkloppingen, zweten, een droge mond en daarbij erg angstig zijn.
Kenmerken
• Angst
Centraal staat angst voor situaties waarin de aandacht van andere mensen ertoe kan leiden dat men zich bekeken, uitgelachen of vernederd voelt. De patiënt met een sociale fobie is voortdurend bang om, in het bijzijn van anderen, zich belachelijk te maken.
• Vermijden
Het gevolg van de angst is dat bepaalde situaties worden vermeden zoals bijvoorbeeld spreken in het openbaar, dineren in gezelschap, urineren in een openbaar toilet, schrijven als op de vingers wordt gekeken, praten in een groep.
• Irreële angst
De patiënt realiseert zich dat de angst ongegrond is.
• Irreële gedachten
Vaak heeft de patiënt een irreële of sterk overdreven gedachte over zichzelf en de ander:
- verlammende voorspellingen over zichzelf en reacties van anderen
- overdreven negatief beoordelen van eigen functioneren in sociale situaties
- toedichten van negatieve gebeurtenissen aan zichzelf en positieve aan anderen
• Lijdensdruk
De vermijding, de anticipatieangst (angst voor de angst) of het lijden in de gevreesde sociale situatie(s) hebben een forse invloed op het dagelijks functioneren.
• Lichamelijke klachten
Angst gaat altijd gepaard met lichamelijke klachten zoals: blozen, trillen, zweten, spiertrekkingen, hartkloppingen, misselijkheid en een droge keel.
Vormen
• Specifieke sociale fobie
Bijvoorbeeld angst om in bijzijn van anderen: te spreken; vuurrood te worden of rode vlekken te krijgen (erytrofobie); te gaan trillen (bijvoorbeeld tijdens het drinken of inschenken van koffie); te gaan zweten; te plassen (paruresis)
• Gegeneraliseerde sociale fobie
Vermijden van groot aantal sociale situaties
Hoe onstaat het?
Meestal zijn mensen met een sociale fobie van nature al erg verlegen en introvert. Waarschijnlijk is het dus een kwestie van genen. De wijze waarop ouders met anderen omgaan kan echter ook bepalend zijn voor de wijze waarop de kinderen dit doen.
Wat doe je eraan?
Met behulp van psychotherapie, met name groepstherapie, kun je leren omgaan met je angsten en ze het hoofd te bieden. Belangrijk daarbij is het "doorleven" van de angst. Juist het vermijdingsgedrag werkt de angst in de hand en daarom moet je juist die situaties opzoeken waar je zo bang voor bent.
De behandeling van mensen met een sociale fobie bestaat uit:
• De gedachten veranderen die ten grondslag liggen aan de vrees en angst
• Basisgedachten over zichzelf, de wereld en anderen, veranderen
• De gerichtheid op het negatieve in het leven veranderen
• Het doen afnemen van vermijdingsgedrag
• Het doen toenemen van contact met andere mensen
Sociale fobie kan goed behandeld worden met cognitieve gedragstherapie.
Hoevaak komt het voor?
In een groot Nederlands onderzoek onder volwassenen van 18-64 jaar bleek de lifetime-prevalentie (proportie van mensen in een populatie die ooit in hun leven sociaal fobisch zijn geweest) 7,8% (bij vrouwen 9,7%, bij mannen 5,9%).
DSM-IV-TR criteria
A. Een duidelijke en aanhoudende angst voor één of meer situaties waarin men sociaal moet functioneren of iets moet presteren en waarbij men blootgesteld wordt aan onbekenden of een mogelijke kritische beoordeling door anderen. De betrokkene is bang dat hij/zij zich op een manier zal gedragen (of angstverschijnselen zal tonen) die vernederend of beschamend zijn. NB. : bij kinderen moeten er aanwijzingen zijn dat ze in staat zijn tot bij de leeftijd passende sociale relaties met bekende mensen en moet de angst voorkomen in gezelschap van leeftijdgenoten en niet alleen maar in interactie met volwassenen.
B. Blootstelling aan de gevreesde sociale situatie lokt bijna zonder uitzondering angst uit, die de vorm kan krijgen van een situatiegebonden of situationeel gepredisponeerde paniekaanval. NB. : bij kinderen kan de angst naar voren komen in de vorm van huilen, woede-uitbarstingen, verstijven of zich terugtrekken uit sociale situaties, met onbekende personen.
C. Betrokkene is zich er van bewust dat zijn of haar angst overdreven of onredelijk is. NB. : bij kinderen kan dit kenmerk ontbreken.
D. De gevreesde sociale situaties of de situaties waarin men moet optreden worden vermeden dan wel doorstaan met intense angst of lijden.
E. De vermijding, de angstige verwachting of het lijden in de gevreesde sociale situatie(s) of de situatie(s) waarin men moet optreden belemmeren in significante mate de normale dagelijkse routine, het beroepsmatig functioneren (of studie of school), of bij sociale activiteiten of relaties met anderen, of er is een duidelijk lijden door het hebben van de fobie.
F. Bij personen onder de achttien jaar is de duur ten minste zes maanden.
G. De angst of vermijding zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening en is niet eerde toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld een paniekstoornis met of zonder agorafobie, separatieangststoornis, stoornis in de lichaamsbeleving, een pervasieve ontwikkelingsstoornis of een schizoïde persoonlijkheidsstoornis).
H. Indien er sprake is van een somatische aandoening of een andere psychische stoornis, houdt de angst van criterium A daar geen verband mee, bijvoorbeeld de angst is niet die om te stotteren, beven bij ziekte van Parkinson, of voor abnormaal eetgedrag bij anorexia nervosa of boulimia nervosa. |
|
 |
| |
|
Paniekaanval
Mensen hebben een ingebouwd alarmsysteem, waarbij bepaalde processen in de hersenen het lichaam activeren door adrenaline in het bloed vrij te geven. Deze adrenaline moet er dan voor zorgen dat er doeltreffend actie ondernomen kan worden zoals vechten of vluchten. Als er werkelijk gevaar bestaat is dit natuurlijk reuze handig.
Bij een paniekaanval echter, wordt dit proces geactiveerd zonder dat daar een aanwijsbare verklaring voor is. Het lichaam heeft op dat moment een overschot aan adrenaline en dit uit zich door aan aantal symptomen zoals bijvoorbeeld hartkloppingen, angstige gevoelens, etc. Als mensen vaker last hebben van een paniekaanval noemt men dit een paniekstoornis.
Kenmerken
Een paniekaanval gaat gepaard met diverse lichamelijke symptomen. Mensen die voor het eerst een paniekaanval krijgen denken daadwerkelijk dat ze doodgaan. De lichamelijke symptomen bestaan o.a. uit:
• Hartkloppingen
• Misselijkheid
• Duizeligheid en het gevoel flauw te vallen
• De dringende neiging om te vluchten
• Pijn in de borst
• Tintelingen in handen en/of benen
• Benauwdheid en het gevoel te gaan stikken
Omstandigheden waaronder het kan voorkomen
Voor mensen die last hebben van paniekaanvallen zijn de omstandigheden waarin de aanvallen optreden verschillend. Toch hoor je vaak vergelijkbare situaties:
• Op straat (bij een ernstige vorm heet dit agorafobie of pleinvrees)
• In drukke mensenmassa's
• In de supermarkt
• In tunnels
• Tijdens vergaderingen
• Met autorijden
Vaak hoor je ook dat als mensen een paniekaanval op een bepaalde plaats gehad hebben (bijvoorbeeld bij de kassa van een supermarkt) dat de angst om op diezelfde plaats weer een paniekaanval te krijgen er voor zorgt dat dit ook daadwerkelijk gebeurd. In de psychiatrie noemen ze dit conditioneren.
Paniekaanvallen zijn namelijk zo'n beetje onlosmakelijk verbonden met conditionering. Deze kent drie gradaties welke bepalen tot in hoeverre zich een angststoornis ontwikkelt. Stel bijvoorbeeld dat je gebeten bent door een hond, logischerwijs ben je naderhand bij het zien van die hond bang, het gevoel van angst is geconditioneerd aan het zien van de hond. Als dit verder gaat kan men zelfs bang worden voor alle soortgelijke honden, dit noemen we stimulus generalisatie. Een nog verder gaande vorm is de semantische generalisatie, waarbij de angst al opgeroepen wordt bij elke willekeurige hond, of in nog ergere gevallen bij een willekeurig beest, hond of geen hond. In de meest extreme vorm, situationele conditionering, wordt het angst gevoel gekoppeld aan willekeurige details uit de oorspronkelijke situatie waarbij de beet plaats vond. En dit kan leiden tot stoornissen als pleinvrees. Er treedt dus een angstaanval op, die voor zowel omgeving als persoon zelf, geen enkele aanwijsbare oorzaak lijkt te hebben.
Daarom moet men bij elke angststoornis ook goed het onderscheid voor ogen houden tussen reëele angsten, welke veroorzaakt worden door externe aanwijsbare oorzaken, en irreëele angsten of fobien, welke geen externe aanwijsbare oorzaken, maar interne persoonlijke oorzaken kennen.
Wat te doen tijdens een aanval?
Een paniekaanval is een zeer onprettig gevoel. Er bestaat jammer genoeg nog geen remedie die je er in 30 seconden van af helpt. Een belangrijk onderdeel is de ademhaling. Zorg dat je rustig blijft ademen en probeer steeds door de buik te ademen en niet door de borstkas.
Er is één ding dat zeer goed helpt en dat is lichamelijke inspanning. Als je bijvoorbeeld gaat hardlopen of een andere zware lichamelijke inspanning verricht, wordt het adrenaline niveau weer op het normale niveau gebracht.
Let op je ademhaling.
Zorg ervoor dat je buik beweegt bij het ademhalen en niet je borst. Adem vooral goed uit, dat is belangrijker dan inademen. Adem bv. 6 tellen uit en 3 tellen in. Tel vooral niet te snel maar heel kalm. Als je gaat gapen of naar adem gaat happen, adem dan eerst rustig uit en ga dan pas inademen. Praat rustig en in korte zinnen, zodat je niet in ademnood komt.
Ga je toch hyperventileren, adem dan diep uit en daarna weer diep in. Blijf diep en langzaam ademhalen. Dit helpt de ademhaling weer onder controle te krijgen. Als de situatie het toelaat kan het helpen om in beweging te komen. Ga bv. een stukje hardlopen. Dit zorgt ervoor dat de stofwisseling (adrenaline en zuurstof) weer in balans komt.
Let op je spierspanning.
Als je angstig bent, heb je de neiging om alle spieren in je lichaam aan te spannen. Het ontspannen daarvan kan dan helpen om je angst beter onder controle te krijgen. Laat je armen en schouders hangen, zak iets door je knieen, net genoeg om je benen te ontspannen, ontspan je gezichtsspieren en je nek en probeer zo stuk voor stuk alle delen van je lichaam zoveel mogelijk te ontspannen.
Zoek afleiding en houd contact met je omgeving.
Als je een angstaanval krijgt, heb je de neiging je erg te concentreren op de angstgevoelens en alle lichamelijke verschijnselen die zich daarbij voordoen met alle gevolgen van dien. Dit verergert de angst dan ook alleen maar.
Probeer daarom afleiding te zoeken. Nog voor het moment dat de angst escaleert. Gebruik daarbij je creativiteit. Ga iets lezen of schrijven in iets wat je bij je hebt of lees wat je om je heen ziet. Kijk en maak contact, richt je blik naar buiten i.p.v. naar binnen. Eet een lekker snoepje en concentreer je op de smaak ervan. Maak een praatje met iemand. Fluit of zing. Knijp jezelf in je arm. Dit soort trucjes helpt goed om gevoelens van derealisatie (het gevoel dat alles onecht lijkt en het gevoel er niet meer echt bij te zijn) tegen te gaan of te verminderen.
Tips
• Paniekaanvallen verergeren naarmate de lichamelijke conditie slechter wordt. Als men bijvoorbeeld weinig slaap heeft gehad zal men de volgende dag in de regel meer last hebben. Een goed advies is dus genoeg slaap en gezond en op tijd eten en proberen er een goede lichamelijke conditie op na te houden.
• Een hele grote boosdoener kan koffie zijn. Als je matigt met cafeïne en theïne (en dus alle producten waar dit in zit, zoals Red Bull en Ice tea) voel je vaak een groot verschil.
• Ook alcohol kan funest zijn. Na een paar glazen alcohol voel je jezelf doorgaans stukken beter. Er zijn zelfs verhalen bekend van mensen die door de paniekstoornis dagelijks naar de fles grepen. Het probleem is meestal de volgende dag. Door de kater is je lichamelijke conditie zo verslechterd dat je de paniekaanvallen dubbel en dwars terug krijgt. Ook hier kunnen we praten van een vicieuze cirkel en bestaat het gevaar dat mensen door de angststoornissen alcoholist worden.
• Doe niets overhaast en onderneem alles rustig, probeer geen situaties te vermijden maar treed ze rustig tegemoet.
• Leer accepteren dat fouten maken menselijk is en kom voor jezelf op! Streef eigen doelen na!
• Ga fietsen, zwemmen, (hard)lopen, stop met roken.
• Ademhalingsoefeningen, spierontspanningsoefeningen en fysiotherapie kunnen een rustgevende werking hebben.
• Zeg tegen anderen wat je denkt, voelt en verlangt, laat je emoties gaan en uit jezelf! Doe jezelf niet beter voor dan je je voelt!
• Maak geen geheim van je angst- of paniekgevoelens maar praat erover met familie en vrienden.
• Maak je geen zorgen over wat anderen van je denken.
DSM-IV criteria paniekaanval
Een begrensde periode van intense angst of gevoel van onbehagen, waarbij vier (of meer) van de volgende symptomen plotseling ontstaan, die binnen tien minuten een maximum bereiken:
1) Hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartactie
2) Transpireren
3) Trillen of beven
4) Gevoel van ademnood of verstikking
5) Naar adem snakken
6) Pijn of onaangenaam gevoel op de borst
7) Misselijkheid of buikklachten
8) Gevoel van duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd of flauwte
9) Derealisatie (gevoel van onwerkelijkheid) of depersonalisatie (gevoel los van zich zelf te staan)
10) Angst dood te gaan
11) Paresthesieën (verdoofde of tintelende gevoelens)
12) Opvliegers of koude rillingen |
|
 |
| |
|
Agorafobie
Agorafobie is een psychische aandoening die in het DSM-IV gezien wordt als onderdeel van verschillende angststoornissen. De naam is afkomstig uit het Grieks: agora betekent markt en fobos betekent angst of vrees. In het Nederlands wordt ook wel de naam pleinvrees gebruikt wanneer men doelt op angst voor open ruimten.
Algemeen gesteld is agorafobie de angst om een vertrouwde en veilige omgeving te verlaten. Dit kan de vorm aannemen van angst voor open ruimten, situaties waarin veel mensen bij elkaar komen of de angst in verlegenheid gebracht te worden of niet 'terug te kunnen keren'. Ook reizen (bijvoorbeeld met trein of bus) kan deze angst veroorzaken.
De aandoening kan in verschillende gradaties voorkomen. In lichte gevallen voelt de persoon wel onrust, maar is in staat zich in openbare gelegenheden te begeven. Zijn sociale contacten zijn verder normaal. In ernstige gevallen trekt de persoon zich terug op een plaats die hij als vertrouwd of veilig beschouwt en mijdt zoveel mogelijk het contact met anderen. Dit kan soms jaren duren en leiden tot een ernstig sociaal isolement. Uiteraard zijn ook allerlei tussenvormen mogelijk.
Als er sprake is van paniekaanvallen, kan agorafobie ook een ander beeld hebben. De stoornis wordt dan gezien als een anticipatieangst, een angst voor angst als het ware. Het zijn in dit geval niet zozeer de open ruimten of groepen mensen die de persoon angst inboezemen, maar de verwachting om een paniekaanval te krijgen. Deze angst leidt op zijn beurt weer tot het vermijden van situaties waarin de persoon denkt in paniek te zullen raken.
Agorafobie wordt vaak gezien als de tegenhanger van claustrofobie (angst voor afgesloten ruimten), maar dit is misschien wat te eenvoudig voorgesteld. In een trein kunnen agorafobie en claustrofobie bijvoorbeeld dezelfde onrust of angstsymptomen veroorzaken, althans in de waarneming van de omstanders. In het eerste geval bestaat echter de angst om de vertrouwde omgeving te verlaten, in het tweede geval de angst om in de trein opgesloten te raken.
DSM-IV criteria
A. Angst op een plaats of in situatie te zijn van waaruit ontsnappen moeilijk (of gênant) kan zijn of waar geen hulp beschikbaar zou kunnen zijn in het geval dat men een onverwachte of situationeel gepredisponeerde paniekaanval of paniekachtige verschijnselen krijgt. Tot de agorafobische angstgevoelens horen karakteristieke situaties als alleen buitenshuis zijn, zich te midden van een massa bevinden of in een rij wachten, op een brug staan, en reizen met een bus trein, of auto
B. De situaties worden vermeden (bijvoorbeeld reizen is beperkt) of wordt alleen doorstaan met duidelijk lijden of de angst een paniekaanval of paniekachtige symptomen te krijgen, of de aanwezigheid van begeleider is noodzakelijk
C. De angst of fobische vermijding is niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis, zoals sociale fobie (bijvoorbeeld vermijding beperkt tot sociale situaties uit angst in verlegenheid te raken), specifieke fobie (bijvoorbeeld vermijding is beperkt tot een enkele situatie als liften), obsessieve compulsieve stoornis (bijvoorbeeld vermijding van vuil bij iemand met een smetvrees), posttraumatische stress stoornis (bijvoorbeeld vermijding van prikkels die samenhangen met een ernstige stressfactor) of separatieangststoornis (bijvoorbeeld vermijding om huis of verwanten te verlaten. |
|
 |
| |
|
Faalangst
Hieronder volgen de kenmerken van faalangst:
1. Faalangst is een vorm van angst
Angst is een gevoel dat ieder van ons in zich heeft. De mens heeft dat gevoel nodig om te kunnen overleven. Het is als het ware een overlevingsmechanisme. Angst beschermt ons tegen bepaalde gevaren en verplicht ons om op bepaalde momenten te reageren of te handelen. Door je angst te overwinnen, krijg je een grotere invloed op de wereld en durf je meer en meer. Angst op school hoeft dan ook niet altijd negatief te zijn (b.v. een beetje 'angst' voor en tijdens een spreekbeurt kan de prestatie verhogen.) Problematisch wordt het echter als je altijd bang bent op school en altijd vreest voor mislukkingen op het schoolse vlak. Dan spreken we van faalangst.
2. Faalangst heeft een negatieve invloed op (school)prestaties
Faalangst is zeer nauw verbonden met het leveren van prestaties. In een schoolse omgeving is het dan ook logisch dat faalangst erg vaak de kop opsteekt. De schoolresultaten van een faalangstige leerling worden negatief beïnvloed door deze vorm van angst. Bij zulke momenten worden de hersenen van een faalangstige geblokkeerd, en de mislukking waar hij zo bang voor was, wordt realiteit.
3. Faalangst is een vorm van angst als toestand
Angst kan zich voordoen in allerlei situaties. Je kan bang zijn in het donker, bang zijn van spinnen, en zo kunnen we nog wel een tijdje verder gaan. Faalangst doet zich alleen voor in situaties of toestanden waar prestaties moeten geleverd worden, zowel op cognitief, motorisch en sociaal vlak.
4. Faalangst komt voor in drie vormen
Faalangst manifesteert zich in drie vormen, die zich in de meeste gevallen overlappen. Je hebt cognitieve, motorische en sociale faalangst.
Faalangst is een allesoverheersende angst die optreedt wanneer er prestaties moeten geleverd worden op cognitief, motorisch of sociaal vlak. Die prestaties worden door deze overheersende angst negatief beïnvloed. Bijgevolg is faalangst een verschijnsel dat zeer vaak voorkomt in het onderwijs.
Soorten faalangst
Angst kan al optreden als de leerkracht de toets uitdeelt. Er moet nu min of meer verplicht een taak uitgevoerd worden.. Ook kan een kind geheel verkrampen bij het zien van allerlei toestellen in de gymzaal. Er zijn dan ook drie soorten faalangst:
Motorische faalangst:
Er zijn kinderen die heel angstig worden bij vakken als tekenen, handvaardigheid en bewegingsonderwijs. Er wordt een beroep gedaan op het motorisch handelen. Er zijn kinderen die er vreselijk tegenop zien iets met hun lijf te moeten doen Dit handelen lukt niet, omdat de angst zorgt voor een verkrampte houding. De leerkracht verwacht dit niet, omdat het kind fysiek wel in staat is de oefening uit te voeren.
Sociale faalangst:
Kinderen trekken op school de hele dag met elkaar op, grotendeels in groepsverband. Voor de een is dat heerlijk, voor de ander een ramp. Om op een doelmatige manier met klasgenoten op te trekken is heel wat nodig. Je moet bijvoorbeeld weten hoe je een beetje meetelt in de groep. Of: hoe je juist niet al te veel opvalt.
Het kind dat sociaal faalangstig is ervaart de school niet als een rustige, veilige plek. Het heeft telkens het gevoel dat het niet aardig of lief wordt gevonden. Volgens de auteur Wolpe houdt sociale faalangst in dat het kind bang is voor kritiek, voor bekeken worden tijdens het werk, voor niet- geaccepteerd worden, voor sociaal op de voorgrond treden en voor autoriteitspersonen. Er is sprake van een geremdheid in het leggen van contacten en het hebben van te weinig sociale vaardigheden.
Aan de leerling is vaak te zien of hij of zij sociaal faalangstig is (denk maar aan het teruggetrokken, stille kind of juist het drukke, nerveuze kind).
Cognitieve faalangst:
Deze vorm van faalangst slaat voornamelijk op opdrachten die te maken hebben met het leren op school, waar een beoordeling aan te pas komt. Het kan al zo zijn dat als de leerkracht nieuwe leerstof aankondigt, de leerling last heeft van klamme handen, hoofdpijn, buikpijn etc. Hierdoor kunnen de leerlingen de uitleg slecht volgen. Hun concentratie wordt gestoord door de vrees dat ze het wel weer niet zullen snappen. Het vooruitzicht van een toets of overhoring zorgt voor een piek in de cognitieve angst.
Mengvormen:
Cognitieve, motorische en sociale faalangst kunnen in combinatie met elkaar voorkomen. Een leerling die onverwacht voor de klas een beurt krijgt, kan geblokkeerd raken door alle ogen die hij of zij op zich gericht weet. Het feit dat de leerling de geleerde woordjes niet meer weet, vormt het cognitieve aspect, de rol van het publiek van klasgenoten het sociale aspect.
Faalangst lijkt bovendien als een olievlek te werken : het begint op een klein afgebakend terrein, maar ongemerkt breidt de angst zich uit naar andere situaties.
(Negatieve) faalangst uit zich op school in verschillende vormen: je kunt spreken van motorische-, sociale- en cognitieve faalangst. Ook bestaat er een mengvorm van deze drie faalangstvormen. Het lichaam reageert verschillend op faalangst, het ene kind spreekt over misselijk en hoofdpijn. Een ander kind heeft het over een wilde storm in het hoofd die het denken geheel blokkeert. Faalangst is een gevoel en gevoelens zijn niet altijd zichtbaar voor de buitenwereld. |
|
 |
| |
|
Specifieke Fobie
Bij een specifieke fobie bestaat angst voor een bepaalde situatie (bijvoorbeeld vliegen, hoogten, tunnels), een bepaald voorwerp (bijvoorbeeld messen), natuur (bijvoorbeeld onweer, storm, water) of dieren (bijvoorbeeld insecten). Men probeert te vermijden waar men bang voor is. De angst en het vermijdingsgedrag zijn niet realistisch en men weet dat zelf ook goed. Vaak wordt een fobie geheim gehouden, men komt er niet graag voor uit dat iets wordt vermeden waarvan men dat het niet gevaarlijk is. Op het moment dat men wordt geconfronteerd met datgene wat men probeert te vermijden ontstaat heftige angst, gewoonlijk raakt men in paniek. De specifieke fobie levert veel problemen en heeft grote invloed op iemands functioneren.
Voorkomen
In een groot Nederlands onderzoek onder volwassenen van 18-64 jaar bleek de lifetime-prevalentie (proportie van mensen in een populatie die ooit in hun leven een specifieke fobie gehad hebben) 10,1% (bij vrouwen 13,6%, bij mannen 6,6%).
DSM-IV criteria
A. Duidelijke en aanhoudende angst die overdreven of onredelijk is, uitgelokt door de aanwezigheid van of het anticiperen op een specifiek voorwerp of situatie (bijvoorbeeld vliegen, hoogten, dieren, een injectie krijgen, bloed zien).
B. Blootstelling aan de fobische prikkel veroorzaakt bijna zonder uitzondering een onmiddellijke angstreactie, die de vorm kan krijgen van een situatie gebonden of situationeel gepredisponeerde paniekaanval.
NB. : bij kinderen kan de angst naar voren komen in de vorm van huilen, woede-uitbarstingen, verstijven of vastklampen.
C. Betrokkene is zich er van bewust dat de angst overdreven of onredelijk is.
NB. : bij kinderen kan dit kenmerk ontbreken.
D. De fobische situatie(s) worden vermeden of anders doorstaan met intense angst of lijden.
E. De vermijding, de angstige verwachting of het lijden in de gevreesde situatie belemmeren in significante mate de normale routine, het beroepsmatige functioneren (of de studie of school), of sociale activiteiten of relaties met anderen, of er is een duidelijk lijden door het hebben van de fobie.
F. Bij personen onder de achttien jaar is de duur tenminste zes maanden.
G. De angst, paniekaanvallen of fobische vermijding die samengaat met een specifiek voorwerp of situatie is niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld bij vrees voor vuil bij iemand met een smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld vermijden van prikkels die samengaan met een ernstige stressfactor), separatieangststoornis (bijvoorbeeld vermijden van school), sociale fobie (bijvoorbeeld vermijden van gezelschap in verband met de angst in verlegenheid gebracht te worden), paniekstoornis met agorafobie, of agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis.
Behandeling
De aanbevolen therapie bij een specifieke fobie is gedragstherapie, met name exposure in vivo (blootstellen aan situaties die angst oproepen). |
|
 |
| |
|
Emetofobie
Emetofobie is een extreme, irrationele angst voor overgeven. Mensen met emetofobie zijn bang om te moeten overgeven, vooral in situaties waar ze niet weg kunnen. Vaak zijn ze ook bang om anderen te zien overgeven, voor enkelen is dat hun enige angst. De fobie heeft vergaande gevolgen. De overgeefangst ligt vaak aan de basis van alle beslissingen die worden gemaakt. Welk beroep wil ik uitoefenen, wil ik kinderen, maar ook wat eten we vandaag en waar gaan we uit? Bij alles wat een emetofoob doet, vraagt ze zich af 'kan ik hierdoor geconfronteerd worden met overgeven?'. Door hun angst vermijden mensen met een overgeeffobie diverse situaties, waarin ze zelf zouden kunnen overgeven en niet op tijd weg kunnen. Ook de nabijheid van mensen die wellicht gaan overgeven en factoren die misselijkheid kunnen veroorzaken, zoals bepaald voedsel en drank, worden vermeden. Als ze de confrontatie wel aangaan, hebben de emetofoben vaak last van veel angst en/of paniekaanvallen. De misselijkheid bij angst zorgt ervoor dat mensen met een overgeeffobie in een vicieuze cirkel terechtkomen. Ze worden misselijk van de angst, en daarna angstig van de misselijkheid.
Emetofobie heeft verschillende uitingsvormen. Sommige emetofoben eten erg eenzijdig en vallen hierdoor veel af. Anderen zijn vooral bang om besmet te worden door buikgriep en ontwikkelen een vorm van smetvrees. Een derde groep is vooral bang om over te geven op een plek waar ze niet snel weg kunnen en hebben een vorm van straatvrees en/of een paniekstoornis.
Hoewel de fobie onbekend is bij het grote publiek, en zelfs nauwelijks onderkend door de wetenschap, is het een veelvoorkomend probleem. Minstens 115.000 Nederlanders en Belgen hebben er last van. De fobie voor overgeven, oftewel emetofobie, is de zevende meest voorkomende fobie. De meeste mensen met een overgeeffobie denken dat ze de enige zijn en komen er daarom niet of nauwelijks voor uit.
Behandeling
Emetofobie ontstaat doordat iemand op een bepaald moment overgeven koppelt aan angst. Bijvoorbeeld omdat ze een angstige ervaring met overgeven hebben, omdat ze in angstige situatie of periode moeten overgeven of omdat ze het afkijken van hun ouders. Als daarna overgeven vermeden wordt, kan een lichte angst al snel uitgroeien tot een fobie.
De meeste therapieën beginnen met het in kaart brengen van het probleem. Door middel van gesprekken wordt inzicht verkregen in hoe de fobie is ontstaan en hoe het in stand gehouden wordt. Daarnaast kan duidelijk worden in hoeverre de fobie symbool staat voor andere problemen. Op basis van deze inzichten wordt een behandelplan opgesteld.
Behandeling bestaat meestal uit cognitieve gedragstherapie met exposure. Soms wordt ook EMDR of hynotherapie toegepast of wordt de emetofoob doorgestuurd naar een ontspanningstherapeut of haptotherapeut.
Bron: "Misselijk van angst" door: Margaret Massop; emetofobie.nl |
|
 |
| |
|
Hyperventilatie
Wanneer u gespannen of angstig bent, kunnen daardoor verschillende klachten ontstaan. Hyperventilatie is één van die klachten. Hyperventilatie wil zeggen dat u te snel of te diep ademt.
Oorzaken
Ademhalen doen we vanzelf. We ademen zuurstof in en koolzuur uit. De ademhaling past zich aan bij wat we doen. Tijdens de slaap hebben we bijvoorbeeld niet zoveel zuurstof nodig, dus dan is de ademhaling rustig. Bij grote inspanning, zoals hardlopen, is meer zuurstof nodig, dus dan ademen we sneller.
Bij hyperventilatie is uw ademhaling van slag, vaak zonder dat u het zelf beseft. U zit bijvoorbeeld in een stoel, maar ademt alsof u aan het hardlopen bent.
Dat kan gebeuren wanneer u gespannen of angstig bent. Ook overbelasting of oververmoeidheid kunnen een rol spelen. Het lichaam gaat hierdoor stresshormonen aanmaken, zoals adrenaline. Het is dan alsof het lichaam zich voorbereidt op een inspanning. U gaat vanzelf sneller ademhalen en uw hart gaat sneller kloppen.
Angst en spanningen kunnen behalve hyperventilatie nog andere klachten veroorzaken. Voorbeelden zijn: benauwdheid, duizeligheid, flauwvallen, pijn op de borst, hartkloppingen, tintelingen, droge mond, hoofdpijn en misselijkheid.
Kan het kwaad? En wat kan ik er aan doen?
Kan het kwaad?
De vele klachten die door angst en spanning worden veroorzaakt kunnen geen kwaad. Ook hyperventilatie is niet gevaarlijk. Het kan zijn dat u maar één keer in uw leven hyperventileert. De aanvallen met angst- en spanningsklachten kunnen echter ook regelmatig terugkeren. In beide gevallen kan de angst voor een nieuwe aanval blijven bestaan en dat kan uw leven beïnvloeden.
Zelfhulp
Er zijn enkele maatregelen die u kunt nemen om de genoemde angst- en spanningsklachten te voorkomen of te beëindigen.
• Als u een aanval heeft of voelt aankomen, probeer dan rustig te ademen. Neem bijvoorbeeld drie seconden om in te ademen en zes om uit te ademen. Tel in gedachten langzaam mee: in-2-3-uit-2-3-4-5-6-in-2-3-uit-2-3-4-5-6 enzovoort.
• Soms helpt het om uzelf af te leiden. Bijvoorbeeld door bij een aanval oefeningen te gaan doen zoals kniebuigingen of door hardop te gaan lezen.
• Probeer na te gaan waarom bepaalde situaties spanningen oproepen. Het kan zijn dat u zich niet van angst of spanningen bewust bent, maar dat u wel last heeft van de verschijnselen.
• Het kan helpen wanneer u opschrijft in welke situatie u de verschijnselen krijgt. Bespreek uw aantekeningen met iemand die u goed kent. Dat geeft misschien een andere kijk op de situatie.
Het weer inademen van de eigen uitgeademde lucht kan ook een eerste maatregel zijn om hyperventilatieklachten te stoppen. Men kan daarbij o.a. gebruik maken van de handen. Men kan de handen in een kommetje om neus en mond vouwen en daarin in- en uitademen. Op dezelfde manier werkt de 'hyperfree', een klein handzaam hulpmiddel voor onderweg. Bij deze manieren van ademhalen wordt verder verlies van koolzuur voorkomen en kan het lichaam een eventueel tekort daaraan weer snel aanvullen. De bloedvaten zullen zich dan weer verwijden en de klachten zullen verminderen of zelfs helemaal verdwijnen. Deze methode werkt echter niet voor iedereen. Men kan ook door lichaamsbeweging (b.v. springen, het maken van diepe kniebuigingen, hardlopen, enz.)reeds in een vroeg stadium de klachten proberen terug te dringen. De extra productie van koolzuur is dan voldoende om het dreigend tekort daaraan te compenseren. Bovendien heeft beweging een ontspannend effect op het lichaam. Zo zijn er nog wel meer trucjes om de adem weer onder controle te krijgen.
Wanneer naar de huisarts?
Neem contact op met uw huisarts:
• als u een beklemd gevoel op de borst heeft dat niet weggaat;
• als u erg benauwd bent en u denkt dat het niet door hyperventilatie komt;
• als de genoemde maatregelen die u zelf neemt, niet helpen.
Kenmerken
Algemeen:
vermoeidheid, algemene zwakte
prikkelbaarheid
slapeloosheid
Psychisch:
angst en onrust
depressie
concentratiestoornissen
fobieën
Spieren:
verlamming
trillingen
stijfheid van handen, vingers, mond
tintelingen op de huid
algemene spierstijfheid (tetanie)
Hart en vaten:
hartkloppingen
overslaan van het hart
pijn op de borst
koude, klamme handen Centraal zenuwstelsel
hoofdpijn
duizeligheid
bewustzijnsstoornissen
wazig zien
Long en luchtwegen:
benauwdheid
beklemming op de borst
brok in de keel
kriebel in de keel
zuchten, luchthonger
frequent ademen, hijgen
pijnlijke ademhalingsspieren
Spijsvertering:
opgeblazen gevoel
pijn in de maagstreek
winden laten
misselijkheid
diarree/constipatie
Buiten alle klachten hierboven genoemd kan nog opgemerkt worden dat veel gehoorde klachten bij chronische hyperventilatie zijn: gevoel van zweverigheid in het hoofd, gevoel van onwerkelijkheid en een enorme vermoeidheid. Allemaal te verklaren, de doorbloeding naar de hersenen kan iets minder worden zodat er minder zuurstof naar de hersenen wordt vervoerd, vandaar deze hoofdklachten, onschadelijk voor het lichaam, maar heel erg vervelend. De enorme vermoeidheid is te verklaren door het voortdurend last hebben van vage klachten. Verder is één van de reacties van het lichaam op chronische hyperventilatie vaak een verhoogde productie van melkzuur. Het lichaam probeert zo de pH van het bloed omlaag te krijgen. Normaal wordt melkzuur geproduceerd wanneer iemand een stevige inspanning levert. Het gevolg van deze voortdurende melkzuurproductie is dat iemand met chronische hyperventilatie vaak klaagt over vermoeide spieren en dat verklaart dus ook weer het gevoel van vermoeidheid.
Aanverwante klachten:
Alle klachten hierboven beschreven kunnen leiden tot een heel ander soort klachten, namelijk angst en paniek. Natuurlijk is iedereen wel eens bang. Angst is ook nodig om te waarschuwen wanneer er gevaar dreigt. Als mensen zonder dat daar aanleiding voor is last hebben van angsten is er echter iets anders aan de hand. Deze mensen worden niet bedreigd maar raken toch in paniek. Ze vertonen daarbij veel symptomen van hyperventilatie: trillen, zweten hartkloppingen etc. Mensen die dit vaak overkomt lijden aan een paniekstoornis. Ze worden op de meest onverwachte momenten overvallen door de angst dood te gaan, gek te worden of de controle over zichzelf te verliezen.
Angst
Hyperventilatie zonder angst komt maar heel weinig voor. Zowel acute als chronische hyperventilatie maakt vaak angstig. Zo angstig dat er paniek kan ontstaan. De gedachte aan angst roept de angst ook weer op. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat mensen beginnen met angstaanvallen en fobieën en als logisch gevolg daarvan gaan hyperventileren. Dit houdt vervolgens de angst of paniek langer in stand.
Mensen die op wat voor manier dan ook een onverwachte angstaanval hebben meegemaakt, gaan vaak vermijdingsgedrag vertonen omdat ze verschrikkelijk onzeker worden. Door dit vermijden ontstaat er langzaam maar zeker een fobie. De gedachte aan de verschrikkelijke ervaring heeft als gevolg vermijdingsgedrag en dit vermijdingsgedrag zorgt op zijn beurt weer voor het ontstaan van een fobie.
Er zijn verschillende soorten fobieën:
Enkelvoudige fobie: hierbij is men bang voor een specifiek dier, voorwerp of speciale situatie, bijvoorbeeld voor spinnen, honden, vogels, een lift of de tandarts. Eigenlijk kan zo'n enkelvoudige fobie op vrijwel alles betrekking hebben. Een dergelijke fobie ontstaat vaak in de kinderjaren. Het is opvallend dat deze soort fobie in alle culturen voorkomt.
Sociale fobie: deze mensen zijn vaak extreem verlegen en onzeker. Ze zijn voortdurend bang het niet 'goed' te doen. Deze mensen durven vaak nieuwe contacten moeilijk aan en raken daardoor erg geïsoleerd. Sommige sociaal-angstige mensen zijn erg bang op te vallen vanwege een eventuele lichamelijke reactie, zoals blozen, stotteren, trillen, zweten. Andere mensen zijn erg bang voor afkeurende opmerkingen over hun lichaam. Ze vinden zichzelf te lang, te kort, te dik of te dun of ze vinden een lichaamsdeel niet goed, hun neus, oren etc. Een sociale fobie komt net zo vaak voor bij mannen als bij vrouwen en ontstaat meestal tussen het 15e en 20e levensjaar.
Agorafobie (straat- en pleinvrees): deze mensen durven nauwelijks alleen thuis, op straat of in grote drukke ruimtes te zijn. Snelwegen, openbaar vervoer, tunnels en files, lege vlaktes, bioscopen, supermarkten en alle andere plaatsen waar men niet makkelijk weg kan komen zijn angstverwekkend. Ook voor deze mensen wordt de wereld steeds kleiner door vermijdingsgedrag. Overigens komt deze laatste vorm het meeste voor. Geschat wordt dat ongeveer 100.000 Nederlanders, waarvan 60 % vrouwen, last hebben van een ernstige vorm van agorafobie. Agorafobie ontstaat meestal tussen het 20e en 30e levensjaar, meestal na een ingrijpende gebeurtenis in iemands leven.
Fobieën en angsten kunnen in een adem genoemd worden met dwangstoornissen. Iemand met een dwangstoornis wordt door angst en onrust steeds gedwongen dezelfde handeling te herhalen. Dit kan zijn: dwangmatig tellen, handen wassen, huis schoonmaken, letten op andere mensen, bijvoorbeeld hoe vaak deze met de ogen knipperen, etc. Vaak gaan mensen door de enorme onrust en door het obsessieve gedrag naast de dwangstoornis ook nog hyperventileren. Het is dus niet verwonderlijk dat mensen met een dergelijke stoornis vaak heel erg moe zijn. Deze mensen voeren de hele dag een innerlijke strijd over het wel of niet uitvoeren van de dwanghandeling. Iedereen heeft wel eens dwangmatige trekjes. Het wordt pas echt een probleem wanneer de dwanggedachten dagelijks voorkomen, grote spanningen oproepen en zoveel tijd in beslag nemen dat er eigenlijk geen tijd en aandacht meer is voor andere bezigheden. Dwangstoornissen komen even vaak voor bij mannen als bij vrouwen. Ze ontstaan meestal in de pubertijd of tussen het 20e en 30e levensjaar.
Geen aanstellerij
Jammer genoeg denken de meeste angst- en fobiepatiënten dat ze de enige zijn met hun probleem. Vaak worden ze ook niet begrepen door hun partner en hun omgeving. Het is ook moeilijk te begrijpen maar misschien is begrip de eerste stap naar genezing omdat ook de patiënt dan eerder zal accepteren dat hij / zij echt iets mankeert en geen aansteller is. Uit onderzoek is gebleken dat fobieën al eeuwenlang voorkomen. Mensen, die lijden onder deze klachten moeten uiterst serieus genomen worden. Dit betekent zeker ook voor de omgeving van de patiënt een zware belasting. Mensen raken vaak zonder werk en daardoor wordt ook de financiële situatie er niet rooskleuriger op.
Belangrijk is zo snel mogelijk hulp te vragen als u de verschijnselen van een beginnende paniek, dwangstoornis of fobie bij uzelf bespeurt. Schaam u niet maar ga praten met de huisarts. Vraag om een goede gedragstherapeutische behandeling. Probeer zo min mogelijk toe te geven aan het vermijden van de angstaanjagende situatie. Moeilijk, absoluut, maar met de juiste begeleiding is er alle reden tot hoop.
Soorten hyperventilatie
Hyperventilatie staat voor: 'te snel en te heftig ademhalen'. Het is eigenlijk geen ziekte, maar iets dat men verkeerd doet, namelijk meer in- en uitademen dan eigenlijk nodig is. De zuurstof die via de longen in het bloed komt, wordt gebruikt om het lichaam te laten groeien, bewegen, e.d. Wanneer zuurstof in het lichaam wordt gebruikt ontstaat de afvalstof: koolzuur. Wanneer de verhouding zuurstof-koolzuur niet meer in verhouding is, ontstaan er reacties en kunnen er hyperventilatieklachten optreden. Deze hyperventilatieklachten kunnen worden veroorzaakt door een te laag koolzuurgehalte in het bloed. Deze klachten kunnen zeer gevarieerd zijn.
Acute hyperventilatie
Bij een hyperventilatieaanval kan de ademhaling hoorbaar versnellen en vaak kan men deze ook niet meer onder controle houden. Het hart kan sneller gaan kloppen en men heeft soms het gevoel dat het hart een slag overslaat. Men gaat transpireren en wordt bleek. Er ontstaat angst. Het vermoeden rijst dat er iets ernstigs - misschien wel een hartaanval - gaande is en dat men dood gaat. Handen en voeten kunnen gaan tintelen, de mond kan droog worden. Tevens is het mogelijk dat u duizelig wordt, wazig of dubbel gaat zien en dreigt flauw te vallen. Helder denken is niet meer mogelijk. Zonder dat daar enige aanleiding toe is kunt u gaan lachen of huilen. Paniek overheerst op dat moment alles. Na verloop van tijd houdt het echter vanzelf op. Vaak is men daarna erg moe.
Chronische hyperventilatie
Naast de acute vorm van hyperventilatie bestaat er ook een chronische vorm. Chronische hyperventilatie is minder spectaculair en daardoor ook minder eenvoudig te herkennen. Deze vorm van hyperventilatie komt echter op grotere schaal voor dan acute hyperventilatie. Chronische hyperventilatie wordt gekenmerkt door vage klachten, die echter constant aanwezig kunnen zijn. Dit is logisch omdat men bijna de hele dag 'onbewust' aan het hyperventileren is. Het duurt meestal erg lang voordat ontdekt wordt dat men lijdt aan chronische hyperventilatie, want de hierbij optredende klachten kunnen ook vele andere oorzaken hebben. Wanneer dan eindelijk de diagnose hyperventilatie wordt gesteld hebben veel mensen al angsten, zoals o.a. ziektevrees opgebouwd omdat men zo lang in onwetendheid heeft verkeerd. |
|
 |
|